|
|
![]() |
| Weblog | Proza | Poëzie | Columns | Audio | Zoeken |
|
Roomse heisaChroom Digitaal Columns, juni 2010 door Bert van Weenen Van het roomse leven weet ik niet veel. Opgegroeid in een gereformeerde omgeving van het zuiverste water kan ik me, zelfs nu ik ben overgestapt op een meer vrijzinnige manier van geloven, toch maar weinig voorstellen bij de gekke wereld van de paus en zijn pastoors. Het gezwaai met een wierookvaatje, de pracht en praal in de rooms-katholieke kerken, het zingen in ouderwets Latijn, de transsubstantiatie van brood en wijn tijdens de mis, de paus die de hele wereld op Eerste Paasdag gelukwenst – het blijven voor mij allemaal "roomse fratsen". "Rome", dat is een wereld die ik vooral ken uit het werk van de in de jaren zestig tot het rooms-katholieke leven bekeerde schrijver "volksschrijver" Gerard Reve. Maar ook diens Maria lijkt me tot het domein van die rare roomse fratsen te behoren. En dan is er nu een uitstekend geschreven boek van Gerard van Westerloo (*1943) waaruit blijkt dat het allemaal nóg gekker kan. * * * In zo'n 150 bladzijden vertelt Van Westerloo in dat boek, getiteld 'De pater en het meisje', het verhaal van een pater die "het aanlegt met" jongens en meisjes die fatsoenlijke rooms-katholieke ouders onder zijn pastorale hoede hebben geplaatst. Het belangrijkste slachtoffer is Van Westerloos eigen zus, Tineke, die er pas na jaren met hem over wil praten. Hetzelfde geldt voor de dader, pater Frits: bevlogen jeugdwerker, geïsoleerd opgegroeid in een mannenwereld, "priester, maar ook man". Wat bezielde deze ijverige dienaar Gods om zich op zo'n ontluisterende manier te misdragen? Gerard van Westerloo schetst in 'De pater en het meisje' een levendig beeld van de roomse mores in de jaren na de Tweede Wereldoorlog, met oog voor alle aanvechtingen waaraan de hoofdrolspelers in dit verhaal, ook hijzelf, blootstonden. Het was voor niemand makkelijk, suggereert Van Westerloo steeds opnieuw. Dat genuanceerde denken siert de journalist, maar versluiert denk ik het oordeel van de schrijver over de pater die in het geniep allerlei vage erotische dingen deed met zijn zusje.
Het blijft toch raar. Je doet iets verkeerd maar weet dat in je denken zo te vervormen dat het niet meer zo verkeerd lijkt. Of je accepteert het als iets verkeerds en bent er na een keertje biechten weer vanaf. Fratsen, denk ik dan, die het rooms-katholieke geloof onvermijdelijk iets wereldvreemds geven. * * * Horen pedofiele paters bij de roomse folklore? (Volgens de redenering: het celibaat leidt onvermijdelijk tot "noodsex".) Of gaat het hier slechts om uitzonderingsgevallen, uitwassen, "aberraties"? Van Westerloo helt over naar het eerste standpunt en wijst daarbij opmerkelijk genoeg diverse keren naar "de tijdgeest". Was hij zelf immers niet, net als zijn oudste broer Ed, "in die dagen een braaf katholiek jongetje van door en door roomse makelij", zoon van een fanatiek katholieke vader die algemeen secretaris was van de Nederlandse Rooms-Katholieke Bond van sigarenwinkeliers? De in die tijd zeer grote loyaliteit aan de Kerk en de achterstandspositie van vrouwen en meisjes waren twee factoren die het mede mogelijk maakten dat paters zich over konden geven aan stiekem, respectloos gedrag. Ook al raakten die laatsten daardoor in sommige gevallen "verstrikt in eigen dubbelheid". De schrijver ziet wel een verandering in de roomse kerk, mooi samengevat in twee zinnen op bladzijde 119: "Toen ik in 1955 als twaalfjarige op het gymnasium kwam was de moraal nog keihard en van de oude stempel. Maar toen ik in 1961 de school als achttienjarige verliet waren een hoop paters ergens op een zolderkamertje gaan samenwonen met hun tot voor kort geheime vriendin." Betekent dit dat de omstandigheden in de Rooms-Katholieke Kerk inmiddels zijn verbeterd en dat de traumatische dingen die je in 'De pater en het meisje' leest, kunnen worden bestempeld als "oud zeer"? Via een onderzoek o.l.v. CDA-politicus Wim Deetman wil de kerk nu in ieder geval schoon schip maken. * * * Seksuele "experimenten" om de grenzen van het celibaat af te tasten, gefoezel van een volwassen man met minderjarige meisjes, gelieg en gedraai als de waarheid aan het licht komt – dat is het totaalbeeld, een beeld waar je als lezer nou niet bepaald vrolijk van wordt. 'De pater en het meisje' is uiteindelijk een triest verhaal, met verlies voor alle hoofdrolspelers, de levenslang door het celibaat gefrustreerde pater voorop (volgens Van Westerloo). Het blijft lang aan je knagen, juist doordat het zo trefzeker en vanaf een afstand wordt verteld. In het tweede deel van zijn boek laat Gerard van Westerloo diverse personen uit de omgeving van pater Frits aan het woord komen: zijn broer Martin, een collega-priester, zijn nicht en tevens huishoudster Beate. Mooi om dat zo te doen, want op deze manier krijg je als lezer een steeds duidelijker beeld van wie die pater Frits nu eigenlijk is. Tegelijkertijd zie je ook hoe verschillend mensen iemands gedrag interpreteren. Wat voor de één heilig is of op z'n minst acceptabel, beoordeelt de ander als walgelijk en verwerpelijk. Ook over iemands beweegredenen, "de krochten van de menselijke ziel", kun je zo een heel boek volschrijven. Helemaal op het eind, in een soort epiloog, betrekt Gerard van Westerloo ook zichzelf in het oordeel: "Maar ik realiseer me met pijn in het hart dat ook ik nooit helemaal los zal komen van wat mij in mijn jonge jaren als waarheid werd ingeprent. In mij zal altijd een roomse rest schuil blijven gaan van de stiekeme dubbele moraal die ik als misdienaar bij pater Frits heb opgedaan." Dat is een opmerking waarin ik iets van mijn eigen ervaringen terugzie. Geloof is een infectie die levenslang doorwerkt. Je kunt nooit vrijblijvend spreken over de dingen waarvan je je vroeger hebt losgemaakt.
|
|
|
|
Chroom Digitaal: online vraagbaak voor religieuze en christelijke literatuur |