|
|
![]() |
| Weblog | Proza | Poëzie | Columns | Audio | Zoeken |
|
'Nieuw-jaars gebed' belichtChroom Digitaal Columns, april 2000 door Bert Hofman
Jodocus van Lodensteyn (1620-1677) beschouwde dichten als vrijetijdsbesteding. Vandaar dat hij zijn bundel 'Uyt-spanningen' noemt. Je laat je dagelijks werk rusten en blaast even uit. Tijd voor een gedicht. Als predikant bestond zijn dagtaak uit het dienen van een gemeente. Hij was ongetrouwd. De eerste druk verscheen in 1676. Ruim een eeuw later, in 1780, volgde nog de zestiende uitgave. Het meest dominant in dit 'Nieuw-jaars gebed' is het refrein met zijn rijke inhoud. Het drukt de vurige begeerte van de dichter uit om in het nieuwe jaar een niet te blussen lust te hebben (en=niet) om het Goddelijk licht, het Woord, te onderzoeken, dat met het vuur (vyer) van de Heilige Geest geschreven is. De plechtige toon past bij de verheven inhoud en het ritme is al even statig. Wat opvalt zijn de alliteratie Lust-Ligt en het overlooprijm: geschreven-verheven (van regel zes naar zeven). De dichter hoeft zijn toevlucht niet te nemen tot 'bladvullingen', omdat hij op die plaats niets zinnigs weet te zeggen, of omdat hij het rijm kloppend moet zien te krijgen. Gedreven door sterke religieuze hartstocht komt hij binnen de beschikbare strofe bijna ruimte te kort. Het refrein eindigt met: "Verheven roem van 's Ziels volmaakte rust." Over zo'n sublieme regel kun je lang zitten mijmeren: het verheven Goddelijk licht brengt de ziel tot volmaakte rust. De ziel die daarin verkeert roemt het hoge Goddelijk licht dat haar in die rust heeft gevoerd. Ook de alliteratie roem-rust doet het hier goed. Tot aan de laatste strofe maakt de dichter van dit refrein gebruik. De melodie is onbekend gebleven. Aan dit vierregelige refrein gaat steeds een drieregelige strofe (terzine) vooraf. De zeven regels hebben samen een kunstig rijmschema (abaccbc). De dichter komt telkens vanuit een andere invalshoek uit op dit refrein. 1 Hij begint met het "oneindig Licht" (God) aan te roepen die de hemellichamen ('t Hemels Heyr) alle hun vaste baan gegeven heeft. (Gestaakt=gestoken in; dreven=wegen, omloopbanen.). Even vast in zijn baan staat het Woord van God als de zon en de maan. Dat te onderzoeken is het hartstochtelijk verlangen van de dichter. 2 Mensen hebben het lichtende stergewelf gekregen dat bewonderenswaardig is samengevoegd (gevoegelijk gepaard). Maar voor zijn kinderen heeft God een beter licht gereserveerd (gespaard). Dus belangrijk om te onderzoeken. 3 Met welk doel zou de zon ons doen leven? Zou dit Licht dan helaas (leyder!) op grote afstand moeten blijven? Onderzoek moet het binnen ons bereik brengen. 4 Met het nieuwe jaar begint de zon weer aan zijn voorgeschreven loop langs het hemelgewelf. Waarom zou Gods gunst dan ook niet in beweging blijven? Ook mijn lust tot onderzoek mag niet tot stilstand komen. 5 De zon verlicht een duistere wereld. Waarom is Uw Woord dan voor ons als een gesloten boek? 6 Ik wil niet blind zijn voor het Licht. Daarom zou ik willen dat U mij nooit parels of diamenten liet zien, die mij zouden kunnen verblinden (nog=noch). 7 Helaas, ik ben mijn hart kwijt. Waar is het gebleven? Dorre schepselen hebben het gedood. Maar nieuwe lust tot onderzoek kan mij weer tot leven brengen. 8 Alle lust tot onderzoek kan op niets uitlopen. Het lezen van de Bijbel kan vruchteloos blijven. Maar als alles dor en droog blijft, als de zon (het Woord) geen leven brengt, zoals groen gewas (Kruyd) na de regen uitspruit, laat dan, zo bidt de dichter, in het nieuwe jaar een levende Geest, die met mij meeleest, als een zegen neerdalen op mijn dorre en droge hart. Dan bot mijn heil uit, maar bloeit vooral de eer van uw Naam in mij op. Deze slotstrofe is opvallend. De dichter hoedt zich voor sleur door hier verrassend met een heel nieuwe afsluiting te komen. Ze begint met "Maar", een tegenstelling, die tegelijk de apotheose inluidt: bij het lezen van de Schrift zijn we afhankelijk van de Heilige Geest. Die moet het echte leven brengen. In dit slot treffen we kunstige rijmen aan: al weer alliteraties (lezen-leeft, dor-droog-dalen), voorrijm (lezend leeft) en binnenrijm (Heer-Eer). Het ritme is sterk bewogen. Het geeft de voorlaatste regel een brede neerwaarts gerichte beweging met een fraaie cesuur, waardoor "dalen" op deze plaats nog een sterke, nieuwe nadruk krijgt. Van Lodensteyns "vrijetijdsbesteding" is zeker geen uiting van onbelangrijk dilettantisme. Dit nieuwjaarsgebed is een fijzinnig kunstwerkje. Het gebed overtuigt door vorm en visie. Allerlei fijne trekjes verraden zorgvuldig vakmanschap, maar tegelijk is het veel meer dan dat. De dichter doet een gooi naar het grootse en hoge. De "verheven roem van ziels volmaakte rust" vertoont overeenkomst met de orde en rust die in het stille heelal heersen. De rust en stilte tussen de hemellichamen corresponderen met de rust in de ziel die door onderzoek vrede in God vindt. Het vakmanschap is hier een flonkerende versiering op de fluwelen mantel van dit rijke lied. Maar ondanks de stilering blijft dit nieuwjaarslied in de eerste plaats een echt te bidden gebed. Het roept het evenwichtige wereldbeeld op van de Renaissance, maar heeft ook al iets van de religieuze hartstocht die de Barok eigen is. Het evenwicht wordt nog maar nauwelijks in stand gehouden. Dit komt bijvoorbeeld tot uiting in de laatste strofe die uit één fel bewogen zin bestaat.
|
|
|
|
|
Chroom Digitaal: online vraagbaak voor religieuze en christelijke literatuur |