Weblog | Proza | Poëzie | Columns | Audio | Zoeken

 

Hoe Martinus Nijhoff zijn Pierrot te hangen hing en God een kranke rank vond

Chroom Digitaal Columns, april 2001

door Gemma Gibba

Martinus Nijhoff (1894-1953) maakte ooit de opmerking dat de mens zijn zwarte eenzaamheid dieper weerkaatst ziet in de ogen van een ander. In veel gedichten beschrijft Nijhoff de menselijke situatie, de mens in zijn bestaan en verschijningsvorm. Hij kon zich gemakkelijk in andere personen en ideeën verplaatsen, was een mensenkenner en kende bovenal zichzelf. Voor Nijhoff was kennis in de eerste plaats zelfkennis en alle onderzoek zelfonderzoek.

martinus nijhoffIn 1918 schrijft hij over de cerebrale mens, de in-zichzelf-opgeslotene, een prachtig toneelstuk: 'Pierrot aan de lantaarn'. Een clowneske rapsodie, een gedicht in de volkstaal. Het stuk wordt getekend of, beter gezegd, geteisterd door melancholie en ironie. Pierrot en Harlekijn, de melancholicus en de ironicus voeren in deze rapsodie een dialoog. Zolang zij elkaar in evenwicht houden is er niets aan de hand, maar in het spel wint de melancholie het van de ironie en zelfspot. Het gaat onontkoombaar naar het einde: de strop.

Zwerver

Pierrot, de zwerver-gitarist ontmoet zijn "tegenvoeter" Harlekijn, die met een grap en een grol het leven door wenst te gaan. Harlekijn probeert hem te overtuigen dat "een mens moet leven als een kind / wat uitgelaten en wat blind". Pierrot koestert echter de droom als zijn levensvorm: "Leven is dromen en het is de dood / Denk ik, is 't die ons wakker stoot". Harlekijn antwoordt hem daarop met de woorden: "Wie zo vreemd spreekt en omgekeerd / Zich 't leven denkt / heeft zich bezeerd / En troost zich nu dat deze pijn / Onwerkelijk en gedroomd moet zijn."

Pierrot laat zich niet een twee drie vangen door Harlekijn's woorden, de clown die al voorvoelt waar het heengaat. Nee, Pierrot schreeuwt zijn begeerte uit, een begeerte naar de lust / Die 't overweldigd willen blust. En dat wordt hem fataal, want Harlekijn weet donders goed waar Pierrot het over heeft, waarschuwt hem ook: "Dat is de dood! / Hij die ons pakt / En onder zich in 't donker smakt, / Hij doet met ons wat hij doen wil / Maar maakt ons hart en hersens stil."

Even verderop in het stuk schakelt Harlekijn alle hulpbronnen die een mens het leven dragelijk kunnen maken in: Heb je dan geen vrouw, vader of moeder, kinderen of een vriend, buren desnoods. Of opium, alcohol en boeken? Maar nee: Pierrot is iemand "die het daaglijks leed / Met zeven vrouwen niet vergeet – En als de wijn zwaar in me zonk / Had 'k een melancholieke dronk." Pierrot, de zwerver, geeft zich na zo'n dronk over aan de nacht, dwaalt over de straten langs de rivier: "Het water zingt: kom hier, kom hier – Mijn hart is dood, van mijn gitaar / Knapt met een snik de laatste snaar."

Voor de spiegel

Harlekijn weet het niet meer, maar heeft nog een list: zijn ironie en zelfspot. Hij laat Pierrot in de spiegel kijken die Harlekijn gebruikt wanneer hij door soortgelijke gevoelens wordt gekweld: "Ben ik als jij, ben ik van streek / Nam ik een spiegel, keek en keek (…) / Nu zie ik dat er iemand leeft / Die 't wellicht nog beroerder heeft." Even is er de troost van de herkenning, maar als Pierrot ontdekt dat hij het zelf is die door de spiegel weerkaatst wordt, gooit hij 'em met afgrijzen weg.

Harlekijn is niet voor een gat te vangen. Hij wijst Pierrot op zichzelf, op de clown in de mens: God heeft als leven ons bereid: Dansen terwijl het stuk hart schreit. Hoewel, er is nog een mogelijkheid, die van het quiëtisme en Harlekijn laat niet na de aandacht van Pierrot daarop te richten: "Maar groot is, wie de rust bereikt / En naar het spel van poppen kijkt."

Het baat alles niets en Harlekijn geeft het op. Zeker wanneer Pierrot zijn nek in de strop steekt, hoewel opgeven: "Ik denk wel dat wij eeuwig leven, / Want eens gegeven, blijft gegeven! / Of men ook hier de draad doorhieuw / Ginder begint hetzelfde opnieuw."

Pessimisme

Ook de laatste strofen getuigen van het inlevingsvermogen van Harlekijn of beter van Nijhoff. Hij verplaatst zich in de situatie als Pierrot, maar kiest voor een andere uitweg: hij blijft en grijpt "naar boven in de bijt / waardoor jij rijst naar de eeuwigheid". Als Pierrot in zijn strop hangt, omhelst Harlekijn zijn knieën en roept hem toe:

De zwaarte van je stijgend lijf
Zakt als een schaduw in me: ik blijf
Naar boven grijpen in de bijt
Waardoor jij rijst naar de eeuwigheid

[Pierrot]
Het wordt een droom als kinderdromen:
Moeder, de witte engelen komen –
Zij spijkeren mij los van 't kruis –
Nu zwerft Pierrot weer – maar naar huis –

[Hij sterft en Harlekijn hurkt onder hem]

Pierrot is dood en hangt zo stil,
Terwijl ik door mijn wervels ril –
God heeft een kranke rank gevonden
En aan zijn warme muur gebonden.

Voor Nijhoff is de gestalte van Pierrot, die van het pessimisme tot de dood toe, niet de uitweg. Hij zet 'em neer als een kranke rank, maar herkent hem wellicht tegelijk als een rank die ook aan zijn eigen wijnstok hangt. In 1936 verschijnt een tweede druk van 'Pierrot aan de lantaarn'. Op 1 september van datzelfde jaar schrijft Nijhoff een brief aan Johan Huizinga waarin hij zijn bewondering uitdrukt voor diens 'Schaduwen van morgen'. In zijn reactie stelt Nijhoff dat het pessimisme een luxe is geworden en niet langer mogelijk is: Alleen de daad kan redden, maar welke daad? Niemand ziet helder. Wij leven in het donker van 'voor dag en dauw.' Leven dus en kiezen: voor de komende dag en de dauw.

Martinus Nijhoff, 'Pierrot aan de lantaarn. Een clowneske rapsodie' in: Martinus Nijhoff (1990). Verzamelde gedichten. Amsterdam: Bert Bakker. 59-85, 255-256


Wilt u reageren? Stuur een mailtje aan:

gemma_gibba@hotmail.com

 

 

 

 

Chroom Digitaal: online vraagbaak voor religieuze en christelijke literatuur