Weblog | Proza | Poëzie | Columns | Audio | Zoeken

 

De liefdeskus die tot een doodskus werd

Over gebleken trouw

Chroom Digitaal Columns, december 2001

door Gemma Gibba

Op 24 januari 1624 bindt de arts en doopsgezinde prediker Anthony Jacobsz. (1594-1624) de schaatsen onder. Hij moet in Amsterdam zijn om daar een preekbeurt te vervullen. Het wordt zijn laatste tocht. Met zijn vrouw Ytien en hun pasgeboren baby rijdt hij over het IJ van Hoorn naar Amsterdam. Uiteraard weet hij nog niet dat deze tocht op een tragische wijze zal eindigen.

roscius = anthony jacobsz.Zijn huwelijk met Ytien Andriesd. (op 4 september 1622) is op dat moment ruim een jaar oud. Anthony is een gewild spreker bij de doopsgezinde vermaning. Hij staat zelfs bekend onder de naam Roscius, een verwijzing naar de beroemde redenaar en leermeester van Cicero. Zijn dienst in de Hoornse doopsgezinde gemeente wordt niet betaald. De kosten van het levensonderhoud brengt hij op door zijn werk als arts. Dat is een veel voorkomende combinatie bij de doopsgezinde liefdepredikers, ook omdat men daarmee zowel de nood van het lichaam als van de ziel kan lenigen zonder dat dit veel extra tijd kost. Die dubbele functie wijst ook Joost van den Vondel in zijn gedicht 'Op Roscius' aan:

Hij was gesalft tot troost van lichamen en zielen.
Der kruydren kracht hy vergde, en voor het lichaem las,
En door't beschreven Woord de krancke ziel genas.

Tot hoe ver Anthony en zijn Ytien Amsterdam genaderd waren, weten we niet. Terwijl hij de slee met vrouw en kind voortduwt, rijden ze hun ongeluk tegemoet. De slede met de twee inzittenden komt in een wak terecht. Anthony, een geoefend zwemmer, bedenkt zich geen moment – althans, dat stelt een van zijn biografen – en duikt hen achterna. Het is te laat. Zijn kind is dood, terwijl Ytien in zijn armen de laatste adem uitblaast. Maar voordat zij sterft weet zij haar Anthony nog wat toe te fluisteren. Dat is tenminste wat Joost van den Vondel er van weet:

Zij zuchtte, och lief, ik zwijm, ik sterf, ik ga te grond.
Hij sprak: schep moed, mijn troost en ving in zijne mond
Haar adem, en haar ziel; zij hemelde op zijn lippen.
(...)
Vraagt iemand u naar trouw, zo zeg: zij vroos tot ijs,
En smolt aan geest, en hij ging met haar adem glippen.

"Zij hemelde op zijn lippen": een liefdeskus dus, die tot een doodskus wordt. Toen ik de geschiedenis voor het eerst las, moest ik denken aan een passage uit Erlkönig van Goethe [1]. Het lied is door Franz Schubert muzikaal geïnterpreteerd. Intens droevig, maar de werkelijkheid is in dit geval nog droeviger. Drie dagen later, op 27 januari 1624, sterft ook Anthony aan de gevolgen van het ongeluk en "volgt haer bleecke schim, naer 't zaligh paradijs".

Het drietal is begraven in de Amsterdamse Zuiderkerk. Het tragische gebeuren krijgt veel aandacht. Zo geeft de voorganger uit Harlingen, Yeme Jacobs de Ringh (1574-1637), een lijkpreek uit, terwijl Vondel Anthony tot tweemaal toe in een gedicht herdenkt. Vondel is getroffen door het verlies van zijn vriend, zijn vrouw en het kind. Wat is trouw? zo vraagt hij zich af. Trouw moet blijken en dat gebeurt meestal niet in het zachte dons of temidden van de rozen. Neen, let op mijn vriend Roscius en leer wat trouw is: "zij vroos tot ijs en smolt aan geest".

OP HET VERONGELUCKEN VAN DOCTOR ROSCIUS

Zyn bruit t'omhelzen in een beemt, bezaait met roozen,
Of in het zachte dons, is geen bewijs van trouw;
Maar springende in een meir, daar 't water stremt van kou
En op de lippen vriest, zich te verreuckeloozen [2],
Dat's van twee uiterste het uiterste gekozen,
Gelijck mijn Roscius, beklemt van druck en rouw,
In d'armen houdt gevat zijn vrucht en waarde vrouw,
En gloeit van liefde, daar 't al kil is en bevrozen.
Zy zuchte: och lief, ik zwijm, ik sterf, ik ga te gront.
Hy sprak: schep moed, mijn troost, en ving in zijnen mont
Haar'adem, en haar ziel; zy hemelde op zijn lippen.
Hy volght haar bleecke schim naar 't zaligh paradijs.
Vraagt yemant u naar trou, zoo zeg: zy vroos tot ys,
En smolt aan geest, en hy ging met haar adem glippen.

Joost van den Vondel

Dat het een knap gedicht is, is Gerrit Komrij al eerder opgevallen. Zijn interpretatie [3] staat geheel los van de feiten. Het gaat hem vooral om het beeld, de symboliek. Ik krijg de indruk dat Komrij geen weet heeft gehad van de historische achtergrond van het gedicht. Komrij vat de werkelijkheid vooral symbolisch op en stelt dat Doctor Roscius niet aan de kou is gestorven, nee, hij stierf door de laatste adem van zijn bruid op te vangen.

Komrij moet een romantisch man zijn. Hij citeert Heine ("Ich trinke deine Seele aus") en verbindt dat met Vondels woord: Zij hemelde op zijn lippen. Zij sterft aan hem en hij aan haar. En op zoveel wellust kan alleen de eeuwigheid volgen, schrijft Komrij. Prachtig gezegd, zeker, maar ik houd het er toch op dat Anthony Jacobsz., bijgenaamd Roscius, èn van de kou èn van verdriet gestorven is. Hij maakte het evangelie van de liefde – mythe of geen mythe – tot een menselijke werkelijkheid en stierf aan diezelfde werkelijkheid om in het gedicht van Vondel weer op te staan.

Noten

1 "Dem Vater grauset's, er reitet geschwind,/ Er hält in den Armen das ächzende Kind,/ Erreicht den Hof mit Mühe und Not;/ In seinen Armen das Kind war tot." [terug]

2 zich te verreuckeloozen = zijn leven in de waagschaal stellen. [terug]

3 Gerrit Komrij (1998). 'In liefde bloeyende. De Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de twintigste eeuw in honderd en enige gedichten'. Amsterdam: Bert Bakker. pp. 73-75. [terug]


Wilt u reageren? Stuur een mailtje aan:

gemma_gibba@hotmail.com

 

 

 

 

Chroom Digitaal: online vraagbaak voor religieuze en christelijke literatuur