|
|
![]() |
| Weblog | Proza | Poëzie | Columns | Audio | Zoeken |
|
De moerbeitoppen ruistenChroom Digitaal Columns, september 2000 door Pim Heuvel
Nicolaas Beets, dominee en hoogleraar theologie in Utrecht, schreef op het einde van de 19e eeuw, op 80-jarige leeftijd zijn beste gedichten. Dit eenvoudige gedicht begint als een gesprek en even later staat er dat God sprak. Er staat niet dat het waaide en dat de bladeren in de hoge moerbeiboom ruisten, maar heel eenvoudig "De moerbeitoppen ruisten". Die eenvoudige toon blijft in het hele gedicht voelbaar en dat in een tijd dat de gezwollen taal bijna een vereiste was voor een goed gedicht. Het oprechte, sterke geloof van Beets eist eenvoud en deze eenvoud ontroert. God die zich kenbaar maakt in de wind die door de bomen waait, blijft bij degene die hem nodig heeft. Dat ruisen geschiedt in de stilte van de nacht. De stilte is zo groot, dat Gods stem te horen is. God spreekt tot iemand die in nood is. Dat schenkt vrede. Het is net of God Zijn armen beschermend om de piekerende man slaat, zodat hij 's morgens gezuiverd wakker ligt. De gelovige hoogleraar heeft zuiver weergegeven hoe de man die in nood verkeert door God geholpen wordt, als hij maar gelooft. Tot wie richt de dichter zich na de eerste regel, die tussen aanhalingstekens staat? Het kan alleen tot de lezer zijn, die dit getuigenis van geloof nodig heeft en gesterkt opstaat, want hij kan het leven weer aan. De nacht is metaforisch gebruikt, het is de tijd dat de mens in duisternis wandelt en juist dan spreekt God.
|
||||
|
|
|
Chroom Digitaal: online vraagbaak voor religieuze en christelijke literatuur |