Weblog | Proza | Poëzie | Columns | Audio | Zoeken

 

In memoriam

Chroom Digitaal Columns, juli 2002

door Adrian Verbree

Het trappenhuis is leeg. Hier hangt de geur van tapijt dat weinig wordt betreden. Geruisloos kom ik hoger. Boven luister ik.
Uit de personeelskamer, verderop in de gang, klinken flarden van een meisjesstem. Verder stilte. Twee uur 's middags. Onwezenlijk uur. Het is hier zo stil, alsof achter al die deuren wordt gerepeteerd voor de Grote Stilte.
Deze week is een van hen gegaan. Ik wil zijn kamer nog één keer zien, alleen en vóór de verhuizers komen met hun dozen. Een paar dozen en een kist; al wat rest na tachtig jaar. Als een inbreker sluip ik over de gang, bezweer het linoleum niet te piepen. Gauw voorbij de deur van de personeelskamer, die op een kier staat. Zijn deur! Die zal natuurlijk op slot zitten... Maar nee, soms zit het mee.
De kamer. Alles staat er nog, onberoerd. Of het leven slechts de adem inhoudt, en elk moment de draad weer op kan nemen. Voorzichtig ga ik zitten in mijn vaste stoel. En even, even zit hij er ook weer. Zijn magere hand knijpt met verrassende kracht in mijn knie.
"Ik ga naar de hel, dominee!"
Volgens mij was hij er al. Gevangen in een depressie als een oordeel. Een niet-verdiend oordeel. Hij was vroom. Echt vroom, op die zeldzame manier, die spot doet verstillen. Toen dit.
Ik overwin mijn schroom en reik naar de mondharmonica, die al twee jaar onaangeraakt op de vensterbank ligt. Ik weeg het ding op mijn hand. Zo vals als hij kon spelen, het zou de doden nog wekken! Maar even goed: Ere zij God.

Wat je ook zei, hij was er zeker van verloren te zullen gaan. In elke tekst vond hij een angel.
"Satan heeft mij te pakken. De duivel laat mijn hand prikken en mijn hoofd suizen. Hele nachten. Ik ben een grote zondaar. De Here heeft mij wel door. Ik heb nooit echt van Hem gehouden. Dat zei ik alleen maar, omdat ik bang was voor de hel."
Alles kleurde grijs: de zon, het eten, muziek en de bijbel. Gods woord verkruimelt tot zout in de wonde. Je leert je mond houden. Je kunt alleen de kiezelsteen van jouw geloof leggen naast de kei van zijn angst: "God laat u niet los."
En de dokter erbij halen, dat ook. Maar die stond net zo machteloos.

In zijn buik, daar deed de duivel ook van alles. Ik leg de mondharmonica weg, en herinner me hoe hij het me liet zien. Zonder gêne, zoals alleen kinderen en oude mensen dat kunnen. Na een verbijsterend hijsen en sjorren met kleding, prikt hij in zijn vel. Dat witte vel! Dat al rimpelend zich reeds van hem leek terug te trekken. Ik raak het beeld niet kwijt.
"Hier dominee, en hier," prikt zijn vinger "daar laat de duivel het borrelen en trekken. De satan heeft mij te pakken. U verspilt uw tijd. Ik ben uw lastigste gemeentelid."
Zo bleef hij. Tot het einde doolde hij, omgeven door een vage geur van urine, rond in de ruïne van zijn geest.

Ik sluit de deur en loop door naar de liften. Nog steeds niemand. Lege rolstoelen schenken je hun verchroomde lach. In de hal bij de liften staat het biljart. Sinds tijden onbespeeld. Het groene laken staat luid te vloeken.
Zijn lichaam ligt tijdelijk opgebaard in de kleine aula van het huis. Koud is het er. Zien of hij, zoals dat heet "er mooi bij ligt". Maar de glasplaat is afgesloten en opeens durf ik niet meer te kijken wat daaronder ligt. Ik leg alleen mijn hand op het hout en zeg: "Nu ben je dus dood, oude man. Gelukkig dan. Rust zacht..."

Buiten zindert het dorp in de julizon.

 


adrian verbree op het wadMet toestemming van Adrian Verbree (zie foto hiernaast) overgenomen uit:

Voor de duvel niet bang,
uitgeverij De Vuurbaak,
Barneveld 2002,
ISBN 90-556-0241-8

Nieuwe columns van Adrian Verbree verschijnen op zaterdag in het Nederlands Dagblad.


 

 

 

Chroom Digitaal: online vraagbaak voor religieuze en christelijke literatuur