Weblog | Proza | Poëzie | Columns | Audio | Zoeken

 

Dichterbij

door Monica van den Berg

JE ONBEDEKT HUIS

Haast van hout zoals hij daar
in de verte mijn voetstap, zijn
startschot afwacht. Boven op de dijk.

Omgeklapt trekt hij bliksemschichten
over het veld, zwiept hij zich
veilig naar zijn draaikolk van gras.

Haas ik wil je niet jagen, ik wil
je onbedekte huis met je delen, ik
wil lezen wat je schreef op de akker.

Ik wil je grijsgouden vacht voelen
maar bedrog en vernieling persen
zich tussen hand en haas, telkens.

Anna Enquist

Uit: De 100 beste gedichten van 2000
(Stichting VSB Poëzieprijs / Uitg. De Arbeiderspers, Amsterdam 2001, 136 blz.)

 

Een bloemlezing kan je als lezer een beetje wanhopig maken. Die gedachte had ik bij het lezen van de zoveelste '100 beste gedichten van'. Een keur uit het beste van de Nederlandse poëzie van het jaar, zorgvuldig bij elkaar gezocht door de juryleden van de Stichting VSB Poëzieprijs. de 100 beste gedichten van 2000 door theo de boerDe voorkant van het mooi en sober uitgegeven boekje is zo'n beetje mijn houvast: jaar na jaar varieert vormgever Steven van der Gaauw op de primaire kleuren geel, blauw en rood in drie blokjes. Maar tegelijk, zo ontdekte ik, laat het iets zien van die verwarring die ik ervaar bij zo veel verschillende dichters en soorten poëzie in één bundel. Welke kleur beken ik, herken ik? Hoe vind ik evenwicht tussen de ruwe, grillige gedichten van de één, de zachte eenvoud van de ander?

En dan ineens, al bladerend door dit bonte landschap, schiet die haas langs, de haas van Enquist. "Omgeklapt trekt hij bliksem-schichten over het veld". Toevallig of niet, vlak naast de gedichten van Jan Eijkelboom geplaatst, die pas ook zo'n huppelend gedicht over een haas schreef. Bij 'Je onbedekt huis' blijf ik hangen. Misschien omdat mijn associatie me de rust geeft die ik zoek? Maar nog meer om de vraag die me te binnen schiet. Misschien een vreemde vraag, maar goed. Wat moet een haas in een gedicht?

Zo'n vraag kun je bij ieder voorwerp of levend wezen natuurlijk stellen, en een haas is dan nog niet eens het minst poëtische onderwerp. Toch zie ik iets van tegenstrijdigheid: die haas en het gedicht passen niet bij elkaar. De tegenstrijdigheid ligt opgesloten in de eerste woorden van het gedicht: "Haast van hout", een gehaaste haas, die daar toch zo onbewegelijk zit. Maar niet lang: een haas blijft niet stil zitten, laat zich niet vangen in een vers. De nadering, zelfs al is het vanuit de verte, is voor hem het sein om te vertrekken. De korte zinnen van de eerste strofe, die de enkele seconden van ontmoeting vangen, zijn zo raak: mijn voetstap is zijn startschot. Daarin ligt iets van oorzaak en gevolg, woord en wederwoord. En daaronder klinkt het principe van deze poëzie: een woord dat aan een ander woord ontsnapt.

Afstand

Zoekend naar een woord dat dit gedicht samenvat, kom ik uit bij afstand. De afstand tussen de haas en de ik-figuur, die opgesloten ligt in het geluid van een voetstap. De verwijdering in de tweede strofe – mens betekent gevaar en het hazenleger is veiligheid. De frustratie daarover in de "dialoog", waarin de ik-figuur de wens tot toenadering verwoordt. En tenslotte de oorzaak van die afstand. Anna Enquist vertaalt hier in poëzie wat iedere lezer op zijn of haar manier in het dagelijks leven ervaart. Niet alleen een afstand tussen mens en dier – wat is dat toch, dat je soms zo graag de vacht van een dier zou willen strelen? – maar ook de verwijdering "an sich", de hele beweging ervan, die hier zichtbaar wordt in deze haas die het hazenpad kiest. Waarom loopt iemand weg voor de ander? De ander die niet wil jagen, maar delen. "Maar bedrog en vernieling persen / zich tussen hand en haas, telkens".

In dit gedicht ligt de verontrusting over de scheiding tussen natuur en mens – twee werelden die hoe langer hoe meer uit elkaar groeien. Maar hoe maakt een mens een dier, dat leeft vanuit instinct, wijs dat hij iets wil bewonderen in plaats van vernielen? Zo'n gevoel uitdrukken, kan nauwelijks anders dan in een gedicht. Want het vreemde is dat terwijl het schrijnende onvermogen hier zo duidelijk aan het licht komt, er toch in de woorden ook iets van het onmogelijke ligt. De haas met de "grijsgouden vacht" (mooie kleuromschrijving) strelen, zijn onbedekte huis, de kuil van gedraaid gras met hem delen. Met kan niet weten hoe een koe een haas vangt... Het onwaarschijnlijke is niet volstrekt onmogelijk.

Terug bij het begin: wat doet een haas in een gedicht? Vluchten, hoe simpel het ook klinkt. Eigenlijk is dit gedicht een haas, en eigenlijk ontsnapt de poëzie aan onze interpretatie. Maar wat we erin vinden, koesteren we: de herkenning, de bewondering. Zoals C.O. Jellema dat zo mooi zegt in 'Drijfjacht': "al was het maar, doordat die ene morgen / mij heugt, die ene stap, en dat instinct / waarmee bestaan zich redt op eigen kracht". Maar ook het gemis, de verwijdering die genegenheid onmogelijk maakt. Het ligt allemaal besloten in twaalf korte zinnetjes.


Deze column verscheen eerder in het
christelijke opinieblad CV.Koers, augustus 2001.


 

 

 

Chroom Digitaal: online vraagbaak voor religieuze en christelijke literatuur