Weblog | Proza | Poëzie | Columns | Audio | Zoeken

 

Vrijdenken naar openbaringsdenken

door Monica van den Berg

EINDAUGUSTUSWIND

1

Ook als het waar is wat we weten –
en niets ons wacht, heus, heus –
dan nog wacht mij, zo lang ik leef
en zwaarder kortademiger elk jaar
mijzelf het duin op hijs: de zee, zee.

Steeds onmiskenbaarder is zij dan voorzien,
steeds meer de meesteres die onderwijst
dat niets mij wacht, niets, heus, heus.
Probeer het maar, zegt zij, en denk je
vrij, de duinen op en daarna nergens mij.

 

2

Er is een omdat en het ruist als het dak
van een sparrebos bij nacht bij eindaugustuswind.
Ik ben gaan liggen op mijn rug met boven mij
een sterrenwak precies als toen ik dertien was.
Het was opnieuw als lag ik denkend in een kuil.
Takken zwarter dan het doodstil uitspansel.

Omdat ik niet mijn eigen macht zal zijn,
omdat mijn strekking steeds een klacht zal zijn,
omdat ik niet begrepen heb wat mij
naar deze onbegrepen plek heeft toegewild,
omdat ik niet mijzelf bevatten kan
als pogend te bevatten – daarom ben ik vrij.

 

3

Ik heb mij nu zo luid tot u gericht
dat uw zwijgen is gaan klinken
naar de stilte in een bladstil bos
nadat er 's nachts uit een tent
een kind geroepen heeft en het was
het mijne niet. Ik twijfel niet
aan uw bestaan zo lang u tot mij
zwijgt. Het is aan mij, u laat mij vrij
om uit uw echoënde stilte op te staan.

Uit: Willem Jan Otten, Eindaugustuswind
(Uitgeverij G.A. van Oorschot, Amsterdam 1998)

 

Dit is de laatste 'Gedicht belicht' in de allerlaatste Icarus. Een moment om even stil te staan bij de betekenis van deze rubriek, die van de eerste tot de laatste jaargang aanwezig is geweest. Voor veel lezers was het misschien een favoriet leesmoment, ook omdat ze zelf bij de bespreking van de gedichten werden betrokken. Voor anderen was het wellicht een minder aantrekkelijke rubriek. Want het is een riskant karwei om een gedicht door te lichten. Hoe benader je zoiets broos als poëzie zonder het te beschadigen?

Toch moet poëzie worden besproken. Trouw-criticus Tom van Deel schreef onlangs in een artikel: "Er moet juist wel over gedichten gepraat worden, want als dat niet gebeurt bestaan ze niet meer. Er moet ook over gedichten geschreven worden, want als dat niet gebeurt, wordt er hooguit nog over ze gepraat en dat duurt meestal niet lang." Juist het delen van een gedicht met anderen maakt het tot een belevenis, een oneindig proces. Behoedzaamheid is vereist. Zoals je voorzichtig om een vlinder heenloopt, haar bekijkt van alle kanten, doodstil, één vluchtige beweging kan de betovering verbreken, één aanraking het wonder voorgoed beschadigen. Eén woord te veel (of te weinig) en de interpretatie overschreeuwt het gedicht. Met de juiste belichting die goede poëzie verdient, ontdek je hoe mooi en diep een gedicht kan gaan.

In deze laatste aflevering staat een gedichtencyclus in het middelpunt van dit proces. Het gaat om de drie gedichten onder de titel 'Eindaugustuswind', die de kern vormen van de gelijknamige dichtbundel van Willem Jan Otten.

Denk je vrij

Het eerste gedicht tekent de denkende mens, de mens die zichzelf het leven voorspiegelt zoals het moet zijn, die zich laat leiden door anderen, die zich verschuilt achter het denken van de mensen, van "ons". Betekenis is in de poëzie van Otten verbonden met de vorm die hij geeft aan zijn verzen. De assonanties en alliteraties met bijvoorbeeld de "zware" letter "w" maken de regels traag als stroop, bijna eentonig. De herhaling concentreert zich op de twee korte woordjes "heus heus" die het middelpunt vormen van het gedicht. "heus heus", symbolisch voor de houding van deze postmoderne samenleving. Je associeert het met een geruststellende uitspraak, sussend, berustend. Woorden waarmee je jezelf geruststelt: er gebeurt heus niets, hoor. Het mooie is dat die twee woordjes met hun diepe lading al vooruitwijzen naar de zee in de slotregel van de eerste strofe. Als ze "hees" zouden klinken, rijmen ze bijna.

Toch "rijmt" het niet in dit gedicht. Er is een vreemde tegenstelling tussen denken en wat onmiskenbaar is. Door ouder worden, ervaring, leert de ik-figuur in dit vers steeds meer beseffen dat er toch meer is. Als hij zich het duin ophijst, ziet hij de onmetelijke zee waar hij niet omheen kan. Als je de laatste regels van de eerste strofe leest, maak je het helemaal mee: regel vier is "kortademiger" dan de andere. De les van de zee is er een van ondervinding. Op cynische toon spreekt ze het intro van het gedicht na, maar verbindt er een opdracht aan: "Probeer het maar, zegt zij, en denk je / vrij". Stel het je voor: duinen zonder een zee erachter, onmogelijk... "Denk je vrij": in drie woordjes staat daar de denkende, rationele mens te kijk. Je moet jezelf vrij denken.

In de lezing die Otten onlangs hield, onder de titel 'Rede tot de verachters der religie', gebruikte de dichter diezelfde drie woordjes om de ongelovigen te typeren. In tegenstelling tot de gelovigen, die gevangen zijn in hun kerk met haar credo, wetten en voorschriften, zijn zij vrij, autonoom. Uit dit gedicht wordt duidelijk dat het een levensovertuiging is die "hijgerig" maakt en het onmogelijke van de mens vraagt, namelijk te geloven in een "niets". Wanneer dat "niets" tekortschiet, maakt het plaats voor een vage mystiek. "De zee, de zee", die woorden doen denken aan de poëzie van dichters als A. Roland Holst, waarin het transcendentale van de zee een belangrijke rol speelt.

Daarom ben ik vrij

In het tweede gedicht trekt de dichter zich terug op het land: ditmaal vormt een diep, donker sparrenbos het décor. Het gedicht begint met realiteit: "Er is". Het "omdat" wordt omschreven als was het een grijpbaar ding. Het wordt vergeleken met het geluid van de zachte augustuswind door de bomen. Het is nacht en je hoort het ruisen. Ruisen, niet waaien. Onwillekeurig moet ik denken aan het bekende gedicht van Beets: 'De moerbeitoppen ruisten. / God ging voorbij.' De ik-figuur ligt op zijn rug, in een kuil starend naar de lucht. Zo zijn de bomen nog veel hoger en indrukwekkender.

In het vorige gedicht stond hij nog op een duin, bóven de ruisende zee, als de autonome mens. Nu ligt hij, een weerloze houding, met boven hem de onmetelijke sterrenhemel, waarvan hij fragmenten ziet door het dak van de bomen heen: "een sterrenwak precies als toen ik dertien was", staat er. Dertien, de leeftijd waarop de kindertijd wordt afgesloten en het vragen en zoeken naar een diepere betekenis achter het leven begint. Je gaat nadenken over het waarom van je bestaan, het "omdat". De woorden van Pascal, "oneindige ruimten verschrikken mij" , klinken door in deze regels. Ook bij het ouder worden keren die vragen steeds opnieuw terug. Het "liggend in een kuil" doet ook denken aan het graf, de dood, de begrensdheid van het aardse leven. Mooi in de eerste strofe van dit gedicht is de cyclische vorm, hoe alle elementen in klank en synoniemen weer terugkeren. De eerste en laatste regel sluiten op elkaar aan als een "eeuwig moment".

Het "omdat" wordt in het "daarom" van de volgende strofe uitgewerkt. Het is een strofe die een strak ritme heeft en bijna als een lied, een bezwering, klinkt. Denken maakt hier plaats voor religieuze ervaring en gevoel. Op alle punten voelt de ik-figuur hoe zijn vrijheid niet in het menselijke, het rationele van het eerste gedicht kan blijven steken, maar ontstaat vanuit het missen, het ontbreken. De strekking van zijn leven is een klacht. Bedoeling en zin van zijn bestaan zijn een raadsel. De wereld is een "onbegrepen plek" , maar er is iets dat hem op die wereld heeft "gewild". Deze strofe is eigenlijk de poging om het te bevatten door erover te schrijven. Maar dat dit niet kan, illustreert alleen al de plotselinge onderbreking van de cadans van de regels in het nadrukkelijke: "daarom ben ik vrij." Vrij ben je juist omdat je jezelf niet in de hand hebt, omdat je in de macht bent van een ander, bevrijd van de beklemmende vrijheid van de mens die gelooft in een "niets". Opvallend is dat de redenen voor de vrijheid van deze mens in de toekomende tijd zijn geformuleerd. Alsof het nog niet zo is, maar er wel de zekerheid is dat het zo zal zijn, dat het onontkoombaar is. Maar er staat niet: "daarom zal ik vrij zijn". De vrijheid is er, maar het is een schuchter, beginnend besef.

In tegenstelling tot in het eerste gedicht, waar het "denk je vrij" centraal stond, wordt hier gesproken over "ben ik vrij". Filosofie maakt plaats voor religiositeit. Dit gedicht doet sterk denken aan de gedachten van Pascal. In een ander gedicht uit de bundel keren de elementen uit het gedicht 'Eindaugustuswind' terug: "Nietig, nietig, maximaal / nietig, ik, en groot, als al, / zolang ik dit besef, // zong ik terwijl ik in het koele / sparrenbosje schuilde voor Pascal."

Laat mij vrij

Het derde gedicht gaat nog een stap verder. Het is het moeilijkste gedicht van de drie. De eerste regel – "Ik heb mijzelf nu zo luid tot u gericht" – is een lange, ritmisch heel nadrukkelijke zin, als een schreeuw naar de hemel. Na het waarom van de mens wordt het stil, een doordringende stilte. De toppen ruisen niet meer, het is "bladstil" geworden. Rust in de natuur is rust in het hart. In dit gedicht wordt duidelijk dat de vragen van de ik-figuur gericht zijn tot "u". Hoewel nergens te lezen staat wie die "u" is, kan uit de inhoud van deze drie gedichten worden opgemaakt dat het gaat om een hoger wezen, om God. En God zwijgt, maar het is een veelzeggende stilte. Het is een zwijgen dat volgt op de roep van een kind. Het middelpunt van dit gedicht is geheimzinnig en duister. Het roept vragen op. Toch is het raadsel rond deze regels te ontwarren als de lezer de interpretatie van het voorafgaande vasthoudt.

Als het God is die niet tot de "ik" spreekt, maar zwijgt, klinkt in dit gedicht het evangelie door: "Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond." "Onder ons getabernakeld" , staat er letterlijk. Het kind is Jezus, die Zijn eeuwige woonplaats verruilde voor een tijdelijk verblijf op deze wereld, de "onbegrepen plek". "het was het mijne niet", schrijft Otten, want Hij was, hoewel Hij mens werd, in de eerste plaats Gods zoon. Hij heeft geroepen, maar Hij werd niet gehoord. De dichter hoort een stem, iemand die zijn naam noemt, maar kan het geluid niet thuisbrengen, want het is iets dat hem aan de ene kant heel vertrouwd voorkomt, doet denken aan de stem van zijn kind, maar toch heel vreemd is. "het mijne niet" betekent ook dat het niet zijn woord is, dat hij zich dat woord nog niet eigen heeft gemaakt. Juist dat vreemde wordt zijn bestaanszekerheid. Van vrijdenkerij, via een diep religieus gevoel, groeit hij toe naar de persoonlijke toe-eigening van het geloof. "het mijne niet. Ik twijfel niet": twee keer drie woordjes die letterlijk en figuurlijk uit elkaar voortkomen. Het gaat boven de mens uit en toch is het realiteit. De climax van 'Eindaugustuswind' ligt in de punt tussen tweemaal "niet".

Op de nacht waarin de dichter iets heeft ervaren dat hij in zijn lezing "een krachtige sensatie van verlatenheid" noemt, volgt de morgen. Hij staat op uit de "echoënde stilte" en vindt zijn vrijheid. De stilte is als een graf dat de dichter herboren verlaat. Van een "denk je vrij" via een "ben ik vrij" tot een "laat mij vrij". De eerste vrijheid wordt je aangeraden, maar je moet het zelf proberen, maken. De tweede vrijheid ontstaat vanuit het besef dat je jezelf niet kunt bevatten, het is een ervaring van meer en hoger. De derde vrijheid komt van een ander, de "u", en vindt zijn weg tot het hart van de mens via de openbaring. Alleen die vrijheid is in dit gedicht de geloofsvrijheid. Het is dubbelzinnig geformuleerd: je wordt bevrijd, maar je wordt ook vrij gelaten. "Het is aan mij", schrijft de dichter. In die woorden zie je dat openbaring in dit gedicht problematisch is. God is hier een God die het geloof aan de mens overlaat, die zwijgt. Er ligt een diepe verwijzing naar de geboorte van Jezus, maar het spreken van God in de bijbel ontbreekt. Het geloof hier is nog aarzelend, meer een gevoel dan een weten, een gevecht met God.

Terwijl ik dit schrijf, aarzel ik zelf ook. Hoe uit-geïnterpreteerd ook, deze gedichten blijven hun geheim en mysterie behouden. En dat is maar goed ook, want zo blijf je ze lezen en herlezen. Hoewel je deze drie gedichten niet zomaar op het leven van de dichter kunt leggen, wordt uit uitspraken van de dichter en de lezing die hij onlangs hield, heel duidelijk dat 'Eindaugustuswind' alles te maken heeft met de weg die de dichter zelf is gegaan. Vanuit die wetenschap wordt zijn poëzie nog dieper en menselijker. "Ik ben zeer nieuwsgierig als mensen expliciteren wat ik alleen laat vermoeden. Maar ik ben net zo nieuwsgierig of ze het mysterie intact laten," zegt Otten in een interview met het Reformatorisch Dagblad. Het is tijd om te zwijgen.


Eerder verschenen in Icarus, december 1999.


 

 

 

Chroom Digitaal: online vraagbaak voor religieuze en christelijke literatuur