|
|
![]() |
| Weblog | Proza | Poëzie | Columns | Audio | Zoeken |
|
Verstrikt in de rol van zijn levenOver 'De laatste rol' (2005) van Frank DorstChroom Digitaal Proza, december 2005 door Bert van Weenen In 2004 verscheen bij Uitgeverij Mozaïek het debuut van Frank Dorst: de roman 'Pesach in Praag'. Die roman vond ik vooral door de wazige compositie tegenvallen. 'De laatste rol' is Dorsts tweede roman. Hij verscheen in oktober 2005. Stilistisch is 'De laatste rol' sterker dan 'Pesach in Praag', maar ook dit boek mist net als Frank Dorsts eerste roman een heldere compositie, met als gevolg dat alles een beetje in het vage blijft hangen. Om hier wat meer over te kunnen zeggen, ben ik genoodzaakt een deel van de plot te verraden. Lees dus eerst het boek! Voor mensen die nieuwsgierig zijn naar de gang van zaken in de toneelwereld, heeft 'De laatste rol' zeker een bepaalde charme. Mis je die interesse, dan zal dit verhaal je waarschijnlijk niet zo aanspreken. Edward de Graaf, die als toneelspeler Eduard Baron door het leven gaat, krijgt aan het begin van het boek een ernstig ongeluk en de lezer beleeft gedurende 140 pagina's een aantal cruciale momenten uit Eduards leven. Eduards eigen verleden, waar het bijna hysterische gedrag van zijn vriend Christoffer, die lijdt onder het gemis van zijn vader, als een rode draad doorheen loopt, en het opgroeien van Eduards zoon Viktor vormen de twee lijnen die afwisselend aan bod komen. Wat aanvankelijk flashbacks lijken te zijn, blijken op het eind ervaringen van Eduard na zijn dood. Toneel en film zijn twee belangrijke elementen in Dorsts nieuwe boek. Je zou 'De laatste rol' kunnen beschouwen als een mengvorm tussen de scenario's van Les choses de la vie (1970) en The Sixth Sense (1999). Helaas wel een mengvorm met een constructie die de lezer niet voor 100% zal kunnen overtuigen. 'De laatste rol' is een goed geschreven roman die prettig leest, maar heel het boek door houdt de lezer het gevoel dat er in de plot ergens iets niet klopt en de onthulling in het laatste hoofdstuk, die als twee druppels water lijkt op het slot van 'The Sixth Sense', neemt dat onlustgevoel niet weg maar onderstreept het alleen maar. In een horrorverhaal zit altijd ergens een ongerijmdheid, iets dat niet klopt, een aanname die de lezer of kijker moet maken om de spookwereld binnen te kunnen gaan. Maar bij Frank Dorst is deze afwijking van de werkelijkheid geforceerd en niet erg geloofwaardig. Onduidelijk vertelperspectiefDoor de expliciete vermelding van Viktor als de vader van Eduard op bladzijde 26-27 lijkt het daaropvolgende hoofdstuk 'Viktor' over die vader te gaan, over diens jeugd en leerschool als toneelspeler. Maar deze "match cut" klopt niet met het vertelperspectief, want hoe kan de gewonde/stervende/dode Eduard dat allemaal zo precies weten? Komt hier opeens een alwetende verteller aan het woord? En bovendien, als doden gedachten konden lezen, zou dat dan niet veel meer implicaties moeten hebben voor de morele vragen die hier om de haverklap aan de orde komen? Bij de overgang van het hoofdstuk 'De komedie' naar het hoofdstuk 'De tragedie' gebeurt dit nog een keer, op het moment dat Dorst Eduard laat terugdenken aan de versiertrucs van vader Viktor en vervolgens verder gaat met de versiertrucs van zijn zoon, die later (op blz. 85) ook Viktor blijkt te heten, net als zijn opa, de acteur Viktor de Graaf. Een goede redacteur had deze frictie in de plot eruitgehaald; nu wordt de argeloze lezer ermee opgezadeld en dat kan toch niet echt de bedoeling zijn, lijkt me. De hoofdpersoon van een roman mag zich dan continu in een toestand van onzekerheid en twijfel bevinden, voor de romanlezer geldt dit uiteraard niet: die moet, al was het maar bij benadering, weten waar hij zich in het verhaal bevindt. Een auteur kan zijn lezers niet pagina's lang in het ongewisse laten zonder daarbij iets aan aandacht en geloofwaardigheid te verliezen. Of het moet om lyrisch proza gaan dat de lezer hoe dan ook betovert en meesleept; zie bijvoorbeeld de romans van de Oostenrijkse toneelschrijver Thomas Bernhard. "Das Unheimliche" moet meer voorstellen dan een achteraf gezien flauwe goocheltruc. Knoeien met het vertelperspectief levert zowel in 'Pesach in Praag' ook daarin vind je verhaalfiguren met dezelfde naam als in 'De laatste rol' geen literaire meerwaarde op. Frank Dorst zet de lezer op het verkeerde been, maar hij doet dat op de verkeerde manier. Je zou deze onduidelijke overgangen in het vertelperspectief natuurlijk "mysterieus" kunnen noemen, maar ik zie er vooral gebrek aan noodzakelijke samenhang in. Het literaire spel blijft daardoor te veel aan de oppervlakte en krijgt op sommige plaatsen zelfs melodramatische trekjes. (Zie als voorbeeld de wegrenscènes op bladzijde 48-51, 86-87, 104-106 en 120-121.) En dat past naar mijn idee niet bij het serieuze thema dat Dorst in 'De laatste rol' wil uitbeelden, namelijk: het leven zonder vader in een wereld die van rollenspelen aan elkaar hangt. Op dit punt zijn de eerste twee romans van Dorst onevenwichtig en misschien wel te snel aan de drukpersen toevertrouwd. Opgroeien zonder vaderDe twee verhaallijnen komen bij elkaar als zoon Viktor na een vechtpartij gewond op straat ligt en in een visioen (?) zijn dode vader ziet verschijnen (blz. 88-89). Een scène die overigens veel overeenkomst vertoont met de mooie proloog waarmee 'De laatste rol' opent. Helaas kan de geest van Viktors vader niets doen, want spoken zijn in dit verhaal alleen maar toeschouwer. Zo mijmert Eduard in het slothoofdstuk 'Dood': "Hoe lang geleden? Zes jaar? Twee seconden? Alles is één groot moment. Ik heb nog een vorm, maar geen lichaam meer. Ik ben nergens en overal. Ik neem alles waar, maar beleef niets. Dat is de dood." (blz. 136) Net als in een toneelstuk dat voorkomt in 'De laatste rol', 'Met gesloten deuren' ('Huis clos', 1945) van Jean-Paul Sartre, is de dood een toestand waarin je alles ziet maar nergens meer mee verbonden bent (blz. 100). En wat heb je in die context als zoon aan de familieband met je vader? Zo'n vader boezemt alleen maar angst in, is een schrikbeeld waarvoor je weg wilt rennen. In de verhaallijn met Eduards vriend Christoffer gebeurt iets soortgelijks. Hierin draait het om een uitvoering van William Shakespeare's beroemde toneelstuk 'Hamlet' (ca. 1601). Het optreden van Christoffer als vaderloze zoon is de climax van de roman, maar dit wordt onvoldoende voorbereid in eerdere hoofdstukken. De emotie van Christoffer is daardoor niet invoelbaar: hij mag dan met overweldigend succes de hoofdrol spelen in 'Hamlet', in 'De laatste rol' is zijn aanwezigheid beperkt tot een bijrol. Later ziet Eduard vanuit zijn spokenloge Christoffer terug, als die op zoek gaat naar gegevens over zijn verdwenen vader. De conclusie is bitter: "Al die jaren heeft Christoffer zijn vader gezocht. Ik heb het nooit geweten. Misschien ook wel. Ik zocht mijn vader, maar wist het van mezelf niet. Had ik het geweten, dan had hij er met mij over kunnen praten. Ik met hem." (blz. 140) Frank Dorst gaat kennelijk uit van het idee dat zonen niet zonder hun vaders kunnen. Zij kunnen pas een echte rol in het leven spelen als zij zich kunnen spiegelen aan hun verwekker. Zonder vader rest niet meer dan een tragisch gevecht met de leegte. Een minuscuul draadje dat ik hier in verband met het motto van Gabriel Marcel toch even wil noemen, is de overeenkomst van dit gemis van een ouder met het verhaal achter Marcel's toneelstuk 'De iconoclast' ('L'Iconoclaste', 1923). In zijn toneelwerk zou Marcel een antwoord hebben proberen te vinden op het verlies van zijn moeder, die stierf toen hij vier jaar was. De parallel met de worsteling van zoon Viktor, die zijn vader Eduard op bijna dezelfde leeftijd kwijtraakt, is evident en had wat mij betreft nog wel wat steviger mogen worden uitgewerkt. Tenslotte staat Gabriel Marcel, die leefde van 1889 tot 1973, te boek als christelijke existentialist en dan wil je als lezer natuurlijk graag weten wat die christelijkheid dan voor Marcel's levensvisie betekende. Het motto over de ziel die lijdt aan het gemis aan binding met zichzelf en anderen, is dan te summier. Een laat existentialismeDe belangstelling voor het Franse existentialisme van Jean-Paul Sartre, Albert Camus en geestverwanten is al jaren tanende, maar lijkt in deze nieuwe roman van Frank Dorst een kleine wederopstanding te beleven. Vanuit de hel van het hiernamaals kun je terugkijken op een leven waarin het voortdurend aankomt op het maken van existentiële keuzes. Alleen de helse kwellingen van de anderen Sartre's "L'enfer, c'est les autres" blijft de hoofdfiguur van Dorsts roman bespaard. Eduard Barons hiernamaals is een lege zaal vanwaaruit de gestorvene tamelijk kalm kijkt naar gebeurtenissen van vroeger en nu. "That's what hell will be like, small chat to the babbling of the Lethe about the good old days when we wished we were dead," schrijft Samuel Beckett in zijn hoorspel 'Embers' (1959). Maar noch de kilte van Sartre's 'Huis clos' noch de zwarte humor uit het werk van Beckett zul je in 'De laatste rol' aantreffen. Ons leven, dat na de dood gewoon doorsukkelt, is bij Frank Dorst vooral een gordiaanse knoop van emoties en angsten, een kakofonie zonder waarneembare muzikale structuur (blz. 142). In Eduards hiernamaals zingen geen engelen. Pessimisme overheerst: ook na je dood blijf je verstrikt in de beslommeringen van het aardse leven. Er is geen nirvana of hemel waar de moegestreden mens tot rust kan komen. Maar gelukkig is deze tekst ook niet meer dan de evocatie van een toneelwereld, geen theologisch pamflet maar een enigszins wrange fabel over levensvragen waarop geen antwoord komt. Als Frank Dorst zich beperkt had tot de relatie van Eduard met zijn vrouw Simone en met zijn vriend Christoffer, in een gedetailleerdere realistische setting, had 'De laatste rol' een fraaie novelle kunnen opleveren. Nu blijft deze roman net als Dorsts debuut steken op het niveau van onevenwichtig experiment. En dat existentialisme? Dat is niet meer dan een van de vele scholen die de filosofie rijk is. Frank Dorst had zijn verhaal met evenveel recht kunnen baseren op de stoïcijnse leer van Seneca of op het logisch-positivisme van Ludwig Wittgenstein. "Wovon man nicht sprechen kann, darüber muß man schweigen." Leerdam, 24-27 december 2005 |
|
Uitgeverij Mozaïek, Amsterdam 2005, ISBN 90-239-9148-6 Externe links: Overige bronnen:
AD = Algemeen Dagblad |
|
|
|
Chroom Digitaal: online vraagbaak voor religieuze en christelijke literatuur |