Weblog | Proza | Poëzie | Columns | Audio | Zoeken

 

Poëtisch monument voor het dorp Rouveen-Staphorst

Interview met Koos Geerds

Chroom Digitaal Poëzie, december 2000

door Bert van Weenen

In 1998 publiceerde Koos Geerds (1948) een thematische dichtbundel over het dorp Rouveen-Staphorst. "Voor zover ik weet, ben ik de enige levende dichter, die in dit dorp is opgegroeid. En als er één gemeenschap is, die een monument heeft verdiend, dan wel het dorp van mijn jeugd," aldus Geerds. Hij woonde er ruim tien jaar, van 1954-1965, en zijn herinneringen aan die periode leverden een stevige bundel "boerse poëzie" op.

koos geerds op poëziecarroussel 1998

Ik weet niet hoe u denkt over het begrip "inspiratie", maar waar kwam bij uw nieuwste bundel de inspiratie vandaan of – om het wat prozaďscher uit te drukken – wat was de aanleiding om deze grote verzencyclus te gaan maken?

"De directe aanleiding tot het schrijven van 'Staphorst' was de voltooiing van de bundel 'Gods element' in 1996. Ik wilde na deze compilatiebundel graag weer een thematische bundel schrijven, zoals eerde 'Insekten' (1994) en 'Goutbeek-archief' (1988). Bovendien zou ik over twee jaar vijftig worden en het leek mij wel aardig om dan met een bijzondere bundel voor de dag te komen. Al piekerend bedacht ik dat ik weliswaar in mijn beide vroegste bundels 'Het vloeiende land' (1982) en 'Dit verre turen' (1986) enkele series over Rouveen-Staphorst had geschreven, maar nog nooit een hele bundel."

"Bovendien leek het mij wel spannend om weer eens 'ongedocumenteerd' te schrijven, dus afgaande op mijn geheugen. Voor de beide eerdere themabundels had ik juist erg veel onderzoekswerk gedaan en ik vond het een uitdaging om deze keer alleen uit mijzelf te putten. Ik was nieuwsgierig wat mijn blote geheugen aan poëzie zou opleveren. Sinds mijn eerste bundel had ik niet (systematisch) meer op deze directe manier geschreven. En wat eigenlijk de doorslag gaf: als ik deze bundel over het vroegere Rouveen-Staphorst niet zou schrijven, wie dan wel? Voor zover ik weet, ben ik de enige levende dichter, die in dit dorp is opgegroeid. En als er één gemeenschap is, die een monument heeft verdiend, dan wel het dorp van mijn jeugd."

Zelfvervreemding

Hans Groenewegen spreekt in zijn recensie in HN Magazine (24 oktober 1998) naar aanleiding van het laatste gedicht over een verborgen motto. Het slotgedicht in 'Staphorst' verwijst naar 1 Corinthiërs 13 vers 12, over het "zien van aangezicht tot aangezicht". Het vers dat daaraan voorafgaat luidt: "Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, voelde ik als een kind, overlegde ik als een kind. Nu ik een man ben geworden, heb ik afgelegd wat kinderlijk was." Groenewegen wijst dit aan als motto voor uw bundel, waarbij hij opmerkt dat de duidelijkheid van vroeger plaats heeft gemaakt voor zelfvervreemding en dat dát de bron is waaruit de meest intrigerende gedichten in 'Staphorst' komen. Hoe kijkt u zelf tegen deze analyse aan?

"Ikzelf zou niet van 'zelfvervreemding' spreken. Wel van een – vooral poëtische – spanning tussen beide polen van jeugd en volwassenheid. In de bundel en vaak ook binnen een gedicht pendel ik tussen vroeger en nu, beleving en reflectie. Overigens heeft Groenewegen heel goed begrepen dat het slotgedicht bij mij heel diep zit. De christelijke lading van dit toekomstgedicht is een zeer gemeende persoonlijke geloofsbelijdenis, waar ikzelf – hoe gek het ook klinkt – erg blij mee ben."

Ontstaansgeschiedenis

Hoe lang heeft u aan deze bundel met Staphorst-gedichten gewerkt? En kon u in die tijd de concentratie opbrengen om ook andersoortige verzen – of wellicht proza – te schrijven?

"Ik heb zo'n anderhalf jaar aan de bundel gewerkt. Daarna nog enkele maanden om elke komma en punt op de goede plek te krijgen. Dit hele karwei nam me zo in beslag, dat ik geen ruimte voor andersoortige gedichten had. Als ik eenmaal met een dergelijk project bezig ben, obsedeert me dit volkomen. Ik denk er dag en nacht aan, ben er bij vlagen ontevreden over, heb af en toe zelfs de neiging het hele boeltje maar het raam uit te smijten, maar stuur het in een optimistische bui toch maar op naar de uitgever (zucht)."

Bent u tijdens de periode dat u aan deze gedichten werkte, teruggeweest naar Staphorst om "herinneringen op te halen"?

"Zoals gezegd, ik heb deze bundel helemaal op mijn geheugen geschreven. Hoewel Rouveen-Staphorst op geringe afstand van mijn huidige woonplaats Dalfsen ligt, ben ik er niet doorgereden en heb niemand gesproken. Ook het archief van de Historische Vereniging Staphorst heb ik niet geraadpleegd. Toen het manuscript klaar was, heb ik het wel aan enkele Rouveners laten lezen om de 'feiten' te verifiëren. Ik wilde niet dat er domme fouten in zouden staan. Er heeft dus wel een soort controle achteraf plaatsgevonden."

Staphorst

Wat vond u ervan dat de uitgever uit verkooptechnische overwegingen (!) liever de titel 'Staphorst' had dan de oorspronkelijke titel 'Dorp'?

"De titel 'Dorp' was een eerste werktitel, mede voortkomend uit mijn onzekerheid of ik wel in staat zou zijn om het project tot een goed einde te brengen. De spontane reactie van redacteur Peter Nijssen heeft mij over een mentale streep getrokken. Hij zei: 'Jij schrijft die bundel en de titel is 'Staphorst'. En wij zorgen dat hij een week voor jouw vijftigste verjaardag uitkomt.' Dat enthousiasme van De Arbeiderspers is een geweldige stimulans voor me geweest om er iets moois van te maken."

Zijn er in de bundel bepaalde gedichten die om persoonlijke of literaire redenen uw voorkeur hebben? Welk gedicht leest u bijvoorbeeld zelf 't liefst voor?

"Er zijn gedichten, waarin ik veel emotie geďnvesteerd heb. Dit geldt met name het openings- en slotgedicht en het gedicht over ouderling Brakke. Bij het gedicht over Stien Eelsingh is er sprake van een zekere identificatie, artistieke verbondenheid. Evenals zij was ik een 'vrumde'. De massale positieve reacties van de Staphorsters op mijn bundel heeft mij het gevoel gegeven dat ik een van hen ben, dat ik hun ziel geraakt heb. Dat is voor mij het grote succes van de bundel."

Toekomstvisioen

Het slotgedicht, waarin u als toekomstbeeld geen hemels Jeruzalem maar een sereen dorp op aarde schetst, deed me denken aan het gedicht 'Groninger Hogeland' van Hans Werkman. Daar zit natuurlijk een hele visie op de cultuur achter! Kunt u daar wat nader op ingaan?

"Wij zien niet alleen in een spiegel en in raadselen, maar leven op een verscheurde aarde. Ik heb in het slotgedicht mijn verlangen naar de toekomstige harmonie uitgedrukt. Het gevecht tussen mens en natuur zal op Gods nieuwe aarde verleden tijd zijn. De moderne stad, die stortplaats van beton en asfalt, zal weggevaagd zijn. Natuur en cultuur zullen verenigd zijn op een manier die wij nu niet voor mogelijk houden. In de huidige wereld is het of-of, maar dan en-en. Daar zal de mens volkomen tot zijn recht komen, God kennende van aangezicht tot Aangezicht."

Leerdam/Dalfsen, april 1999

 


koos geerds: staphorst

De Arbeiderspers, Amsterdam 1998, ISBN 90-295-2098-1


Meer informatie op deze website:

 

Externe links:

 

Overige bronnen:

  • recensie door Hans Groenewegen in HN 24 oktober 1998
  • recensie door Klaas de Jong Ozn in FD 17 oktober 1998

AD = Algemeen Dagblad
CW = Centraal Weekblad
FD = Friesch Dagblad
HN = Hervormd Nederland
RD = Reformatorisch Dagblad
ND = Nederlands Dagblad
NRC = NRC/Handelsblad
VK = de Volkskrant
VN = Vrij Nederland


Terug naar boven

 

 

 

Chroom Digitaal: online vraagbaak voor religieuze en christelijke literatuur