|
Vocht op de huid van de rots
dat niet meer verijst
Over 'Tot al het harde zacht is' (2006) van
Inge Lievaart
Chroom Digitaal Poëzie, januari 2007
door Henk van Loenen
Toen ik de bundel 'Tot al het harde zacht is' in handen kreeg en
doorbladerde, leek het me goed om eerst de 'Verzamelde gedichten' van
Inge Lievaart (1917) door te nemen. Natuurlijk had ik wel eens een gedicht
van haar gelezen, maar haar gehele werk kende ik niet. Uit de overvloed
aan bekende en minder bekende dichters had ik haar tot op heden eenvoudigweg
nog niet gekozen. Men kan niet alles lezen.
Gelukkig zag ik op tijd het voordeel hiervan in: ik kon haar nieuwe
bundel onbevooroordeeld lezen. Ik geef meteen maar een voorbeeld van
de losse, aan de haiku verwante stijl die Lievaart hanteert:
bijna tegronde gaand in de ver-
vuiling van het verval
speuren naar sporen van
zuiver water een
geur van leven
komend van bovenstrooms
Ze weet met haar open gedichten, min of meer vrij van vorm, onregelmatig
van lengte en strofe-indeling en vrijwel zonder leestekens, te ontsnappen
aan de clichés. En dat is niet gemakkelijk gezien de overbekende
thematiek van deze bundel. Haar sterkste wapens: weloverwogen woordkeuze
en de kunst van het weglaten.
Geduld
Het is allemaal begonnen met een stem, zegt ze in het gedicht waarmee
de bundel opent: "Een stem zei: jij". De eerste afdeling van
de vier, 'Water in het versteende', verbeeldt haar getuigenis van het
wonder dat het water (leven) ontspringt uit het versteende (de dood).
Water, steen, licht, vuur Inge Lievaart gebruikt bij voorkeur
natuurbeelden. Dit maakt haar gedichten tijdloos maar ook wat al te
abstract. Zo hartstochtelijk verlangt ze naar een wereld waarin al het
harde zacht is geworden, dat ze inzoomt op de kleinste verkleuring:
"vocht op de huid van de rots". Zo moeizaam komt het Koninkrijk.
Er zit vaak niets anders op dan wachten, met heel veel geduld, het leven
verstart steeds opnieuw. Hoe lang moet dit nog duren? En als dan eindelijk
de tijd om is, bedenkt ze alvast, zal er geen tijd meer zijn.
Over tijd gaat de tweede afdeling: 'Hoe het begon'. Ook hier een stem,
in dit verband die van de moeder. Bij haar op schoot was de wereld nog
veilig en vredig. Maar al gauw spreken deze gedichten van donkerte,
twijfel en leegheid. Ook hier had wat meer "wereld" binnen
mogen komen. Het blijft allemaal wat afstandelijk.
Iets donkers
'Een hand die vangt', de derde afdeling, spreekt van "de gebalde
anti-macht" die het zachte weer hard maakt en zelfs vernietigt.
In die worsteling snakt de mens naar adem:
en wij daartussen:
een stofje in de storm
een vlokje in de chaos
deel van het nee en toch van het ja
Heel sterk brengt Lievaart die benauwenis in beeld in het gedicht 'Iets
donkers':
Gezuiverd het huis
hoe luchtig is het hoe rustig
hier binnen te slapen heel diep
sprong er een deur uit het slot
kierde misschien een venster
kwam er een barst in een ruit
iets dat er niet hoort te zijn is
ongemerkt binnengekomen iets
donkers knaagt aan het licht
met een schok is het weten ontwaakt
dat buiten iets blijft dat belaagt
en binnen iets neigt naar verraad
Maar "geen donker is zo dicht / geen vallen gaat zo diep / of
Hij is daar / een glimp van licht / gebaar dat draagt". Het is
de hand van Christus die haar vangt.
Hemel op aarde
In de laatste afdeling, 'Door het voorbijgaan heen', gaat de dichteres
in op de belofte dat weliswaar het leven, het warme lichaam, de adem
voorbijgaat, maar ook de dood. De stem uit het eerste gedicht klinkt
ook in het laatste gedicht. Als dan eindelijk al het harde zacht is
geworden, mag de hoorder het ook zien: de hemel op aarde.
De levenslange omgang met de Ene wordt en dat is de kracht van
deze goed gecomponeerde bundel toch weer als nieuw beleefd en
tastend onder woorden gebracht. Dat deze "grande dame" van
de christelijke literatuur tot op zeer hoge leeftijd zo licht en ontvankelijk
formuleert, dwingt respect af.
|