|
|
![]() |
| Weblog | Proza | Poëzie | Columns | Audio | Zoeken |
|
Liefde en het leeszaalmeisjeOver A. Marja (1917-1964)Chroom Digitaal Poëzie, juli 2002 door Ko Veldkamp In een serie over belangwekkende ommekeren in het geloof van bekende, maar reeds lang gestorven Nederlanders, schreef Willem Bouwman eind vorig jaar in het Nederlands Dagblad over de dichter en criticus A.Th. Mooij (1917-1964), alias A. Marja. Evenals Wim Hazeu die een biografische schets over de "dichter en practical joker" A. Marja schreef, laat Bouwman de dichter in Winschoten, waar zijn vader predikant was, de christelijke HBS bezoeken. Maar Winschoten heeft nooit een christelijke HBS gehad! Het Oost-Groninger stadje mocht al blij zijn dat er van gemeentewege een gymnasium en een HBS was, broederlijk naast elkaar gevestigd in de Johan Modastraat, waar ook de openbare leeszaal en bibliotheek gevestigd was waar Marja stiekem in een encyclopedie het biologisch proces van de mens bestudeerde en door een "leeszaalmeisje" betrapt werd (Hazeu). VerzuilingPersoonlijk ben ik er niet rouwig om dat er geen christelijke HBS in Winschoten was. Was die er wel geweest, dan had ik stellig de vriendschap met de zoon van de hoofdonderwijzer van de Christelijke Nationale School in ons dorp gemist. Nu fietsten we dagelijks 20 km heen en weer naar Winschoten, maakten we samen huiswerk en discussieerden we over vele onderwerpen. Samen doorbraken we een stukje verzuiling; zelf kwam ik namelijk uit een buitenkerkelijk, socialistisch geörienteerd milieu. Het misverstand over de kleur van de school is waarschijnlijk ontstaan
omdat Hazeu melding maakt van het feit dat Marja het einddiploma behaalde
aan de christelijke HBS in Groningen. In die roman, waaraan een sterk autobiografisch karakter wordt toegeschreven, wordt de hoofdpersoon Willy ter Veer door de wiskundeleraar en diens zoon betrapt als hij op een morgen in een leeg lokaal in bewondering voor een meisje is verzonken en zijn hand naar haar uitstrekt. Wegens "aanranding" wordt hij vervolgens van school gestuurd. Zijn vader, Ir. Ter Veer, krijgt gedaan dat hij het laatste schooljaar aan de christelijke HBS in Groningen mag afmaken. Plezier Tijdens zijn schooljaren werd het schrijven van gedichten steeds belangrijker
voor Marja. In 1934 ontmoette hij Koos Schuur (1915) die voor zijn eindexamen
in Veendam op school zat. Na een door Marja georganiseerde ontmoeting
in de openbare leeszaal in Winschoten gingen ze beiden "literatuur
doen": elkaars gedichten lezen en spellen. De leraar Duits op de HBS was C.W.E. Schultz , een Duitser die Nederlands had gestudeerd. Hij was een overtuigde nazi die veel invloed op leerlingen had. Op 2 februari 1935 werd in het NSB-blad Volk en Vaderland een gedicht van Marja, nog onder de naam Mooij, gepubliceerd. Deze jeugdzonde (na een jaar al hersteld toen Mussolini zijn oorlog tegen Abessynië begon en Marja met Schultz brak) zou hem in de jaren zestig nog worden nagedragen. "Politiek was Marja volkomen goed," zou J.B.Charles (Willem Nagel) later in een interview zeggen, "maar als persoon te onevenwichtig". Nagel vertelde Marja in de oorlog niets over zijn illegale praktijken waar Marja wel een vermoeden van had. "Jij bent een man die zijn bek niet kan houden," zei Nagel tegen Marja. Schultz was tijdens de bezetting directeur van de HBS. In 1956 zocht hij opnieuw contact met Marja en beklaagde zich erover dat hij bij zijn arrestatie in 1945 een dag zonder eten was gelaten. "Vindt u dit werkelijk zo zwaar wegen tegenover alles wat wij hebben ondervonden van de 'ideologie' waardoor mensen als u zouden zijn 'misbruikt'?" schreef Marja aan Schultz na de ontmoeting. Vlak na bevrijding was Marja een van de oprichters van de Regionale Omroep Noord, samen met Gijs Stappershoef. Practical jokerMarja is vooral bekend geworden door een lange reeks practical jokes. Zelf beschrijft hij in een interview de allereerste: "Ik had net die dag ik was 16 m'n eerste lange broek aan, een beige zomerbroek, en voelde me een man. Ik liep het huis uit en zag een jongetje fietsen, met een korte broek. Ik stak mijn hand op, liet hem stoppen en vroeg naar zijn belastingplaatje. Dat had hij niet. 'Dan zal ik je moeten bekeuren, jongetje,' zei ik, noteerde zijn naam en adres, en liet hem weer gaan met de mededeling dat hij er wel meer van zou horen. Ik ging het huis weer in, zette me aan de schrijfmachine van mijn vader en tikte een imposant proces-verbaal dat er erg officieel uitzag, hoewel ik er nooit een gezien had. Dat stuurde ik naar de ouders van het jongetje en gelastte hen een bedrag van ƒ 2,50 te voldoen bij marechausseekazerne in Winschoten."
Een van de laatste "streken" die hij uithaalde en die hij tijdens zijn leven nooit heeft toegegeven, was de kwestie Stuiveling. Rondom de jaarwisseling van 1962 ontvingen de leden van de Nederlandse Vereniging van Letterkundigen, waarvan Garmt Stuiveling voorzitter was, alsmede de pers een circulaire waarin stond dat een ereraad van de vereniging rapport had uitgebracht over een publicatie van Stuiveling uit de oorlog. De voorzitter zou aftreden. Er werd een vergadering aangekondigd waarin een nieuwe voorzitter zou worden gekozen. Als een van de kandidaten werd Marja genoemd. SchandaalDeze circulaire bleek niet van het bestuur afkomstig en onmiddellijk viel de verdenking op Marja. Alleen op die verdenking werd hij als lid van de vereniging geroyeerd, een royement dat enkele maanden later ongedaan werd gemaakt. Marja had ook enige journalistieke ervaring: in 1938 werd hij verslaggever van de Groninger editie van Het Volk (Volksblad voor Groningen en Drenthe). Na de oorlog was hij in 1946 korte tijd chef-redacteur van de Groninger editie van Het Parool. Maar zelfs in de korte tijd dat die editie bestond, zag hij kans een schandaal te veroorzaken. Het Parool publiceerde namelijk een foto waarop de echtgenote van een bekende Groninger zakenman op schoot leek te zitten bij een Duitse officier. Een oud-Paroolmedewerker vertelde aan de inmiddels overleden Groninger journalist Bart Tammeling dat niet iedereen er destijds van overtuigd was dat de bewuste mevrouw inderdaad bij de Duitse officier op schoot zat, maar het leek in ieder geval zo. Het Parool wilde met de publicatie duidelijk maken hoe bij de naoorlogse zuivering sommige prominente zakenfamilies de hand boven het hoofd werd gehouden. Het eindeDs. Buskes vertelt ergens hoe hij op 9 januari 1964 aan het sterfbed van Marja zat. Buskes moest hem Romeinen 14: 7-9 voorlezen en zelf las hij voor uit de pas verschenen 'Verzamelde Gedichten' van Gerrit Achterberg. Marja vertelde hoe door zijn toedoen een gedicht van de twee jaar eerder overleden dichter Gerrit Achterberg van een nieuw laatste couplet werd voorzien. De laatste drie coupletten van het gedicht 'Deïsme' luidden aanvankelijk als volgt:
Marja had Achterberg erop gewezen dat het beeld in de laatste regels te traditioneel was, niet corresponderend op dat van het volle en lege benzinevat en ook te zoetelijk. "Wat moet het dan zijn?" vroeg Achterberg. Marja had toen over Christus gesproken als koopman in oud roest. Zo ontstond het laatste couplet in definitieve vorm:
Ooit schreef Marja het volgende grafschrift:
|
|
Dit artikel van Ko Veldkamp verscheen eerder
Zie ook: Externe bronnen over A. Marja op internet:
Meer informatie over A. Marja:
|
|||||
|
|
|
Chroom Digitaal: online vraagbaak voor religieuze en christelijke literatuur |