|
Midden in de keuken het hakblok met het mes
Over 'Hokwerda's kind' (2002) van Oek de Jong
Chroom Digitaal Proza, december 2002
door Hans Werkman
'Hokwerda's kind' van Oek de Jong is een lijvige roman. Dat wil zeggen:
niet alleen dik, ook volstrekt op het lijf gericht. Het menselijk vlees
is zozeer gespitst op seks dat de geest zich niet inspant en reddeloos
verloren gaat. Erotiek heeft een noodlottig verbond gesloten met geweld.
Een slagersmes ligt op een hakblok in het meetkundig middelpunt van
de keuken. De tragiek is uitgedijd tot honderd procent. De spirituele
dimensie van de vroegere Oek de Jong is zoekgeraakt.
Manshoog riet
De voorsmaak in de proloog van het boek is goed, de rest smaakt bitter.
De eerste zes bladzijden bevatten beeldend en beklemmend proza.
"Die avond wierp Hokwerda keer op keer zijn dochtertje over
de rietkraag in de Ee. Hij pakte haar bij een pols en een enkel, tilde
haar tengere lijfje op, zwaaide het heen en weer tot het voldoende
vaart had en slingerde het weg over de rietpluimen."
Het kind moet leren zwemmen en gehard worden door een vader in wie
de liefde het wint van de vernietigingsdrang. Maar in de proloog zit
een onheil opgesloten, dat in de roman openbarst in lichamen van mensen.
Hokwerda steekt al op de eerste bladzijde een mysterieus gepleisterde
hand uit. De val van het kind op het water is keer op keer pijnlijk.
Na de laatste worp verdrinkt het bijna. Het beest in de mens zit in
de proloog nog vast, maar raakt in de roman los om te vernietigen. Ook
angst drupt van de pagina's, meteen al in bloedvegen tegen een witte
muur, in het angstvallig geheven hoofd van het zwemmende kind. Oek de
Jong heeft 't op de eerste bladzijde over "het manshoge riet"
waar de vader zijn kind overheen gooit. Hij moet daarbij wel gedacht
hebben aan het korte gedicht 'Angst' van Ed. Hoornik:
Manshoog het riet.
Hoort hij het springen van de vis?
Vermoedt hij water?
De achtervolgers komen nader.
Er is geen brug.
Hebben
Het verhaal is Amsterdams, het speelt rond de laatste eeuw-wisseling,
en heeft de geest van een Haagse noodlotsroman van Couperus rond de
vorige fin de siècle. De 24-jarige Lin (het kind uit de proloog) begraaft
in het Oosterpark het kadaver van een kat. Wat leeft gaat kapot, het
grijpt haar aan. Maar ze heeft zelf deel aan de vernietiging. Zodra
ze de 32-jarige Henri ontmoet, barst het erotisch instinct van beiden
los, ingeleid door symbolen van erotiek en geweld, zoals het optillen
van een zalm op de Cuyp en de dominante aanwezigheid van het hakblok
in Henri's keuken. Dat kan niet goed aflopen.
Het gaat eigenlijk over hele saaie mensen, die alleen het lijf met
elkaar delen, ze bestaan voortdurend slechts uit billen, ballen, borsten,
buik, de geest is op de loop, ze lezen nooit eens een boek, hun gesprekken
gaan over "hebben". Het is als in een ander gedicht van Ed.
Hoornik, over de werkwoorden "hebben" en "zijn":
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
is daarheen langzaam worden opgelicht.
Van de laatste strofe is in het boek geen sprake. Van de eerste is
het vol.
Yuppenverhaal
Na 185 bladzijden is het beperkte thema tussen Lin en Henri uitgewerkt.
Hij heeft haar laten verkrachten door een ander, en dat is haar te gortig.
In deel 3 begint Lin een relatie met Jelmer, even heftig, even eenzijdig,
met even uitvoerige bedscènes, maar Jelmer is wel een man met meer beschaving
dan Henri. Jelmer gaat met Lin op bezoek bij zijn ouders in Friesland
en dan neemt Oek de Jong de gelegenheid om Freudiaanse duidingen aan
het verhaal toe te voegen. Maar het blijft een beperkt verhaal van maar
twee op elkaars lichaam ingestelde mensen. Het is merkwaardig dat er
zo weinig verteld wordt over hun sociaal functioneren. Het gaat nooit
over religie, over engagement, over maatschappij. Zelfs tijdens een
strandwandeling op een warme zomeravond lijkt het strand leeg te zijn
op die twee mensen na.
Jelmer volgt de grillige wensen van Lin. In de relatie met Henri ging
het andersom. Kennelijk is Jelmer toch niet de man die haar bevredigen
kan. Er volgt een breed beschreven nieuwe ontmoeting met de oude geliefde.
Het proza van Oek de Jong deint meestal lineair voort en is mede daardoor
nogal vlak. Het mist de spirituele spitsheid van 'Opwaaiende zomerjurken',
van 'Cirkel in het gras', van 'De inktvis'. Dit is een volstrekt andere
Oek de Jong, een schrijver die zijn noodlottige verhaal laat voortglijden
als een automobiel op breed, mechanisch gladgewalst asfalt. 'Hokwerda's
kind' is op vele bladzijden een yuppenverhaal.
Autowrak
Het weerzien van Lin met Henri luidt een maandenlange ontrouw in,
want Lin houdt tegelijk de relatie met Jelmer aan. Met hem bezoekt ze
haar vader, Hokwerda, de man die haar kinderkrachten bij de rietkraag
tot aan de grens op de proef stelde en wiens oogappel ze was. Van oogappel
is nu geen sprake meer. Hij is de bezitter van een torenhoge stapel
autowrakken en weet zijn dochter net niet raken als hij een wrak uit
de takel laat vallen. Zij is als hij: in hen wordt geregeld het beest
wakker dat vernieling heet.
Oek de Jong is weer heel uitvoerig in het beschrijven van de combinatie
vernieling/seks en mede daardoor wordt Lin al gauw een oppervlakkig
en vervelend oversekst type. Als schrijver heeft hij ook in deze roman
wel kwaliteiten behouden, vooral als hij ontreddering beschrijft. Maar
hij is in zijn stijl slordiger geworden, minder kieskeurig. En vooral:
hij heeft zijn personages uit enkel lichaam in elkaar gezet. 'Hokwerda's
kind' is een roman die luidkeels roept om trouw maar er niets van in
voorraad heeft.
In het korte deel 5 (Jelmer af, Henri en Lin op) bereikt de tragedie
haar hoogtepunt. Eigenlijk is dit het best geschreven deel van de roman.
De vloed aan erotiek is eindelijk wat weggeëbd (al herhaalt zich nog
eens de ridicule behoefte om in elkaars nabijheid naakt naar de wc te
gaan en de deur open te laten staan). Oek de Jong nadert nu meer het
innerlijk, waardoor de afwisseling van haat, liefde en angst een zekere
verklaring krijgt. Ook nu worden man en vrouw een beest voor elkaar
en staat het hakblok met het mes midden in de keuken.
Schuld
'Hokwerda's kind' is een roman van schuld zonder boete. Juist boete
zou kunnen bevrijden. Maar het laatste hoofdstuk heet 'In de buitenste
duisternis'. In bepaalde opzichten heeft de roman wel iets van Oek de
Jongs voorlaatste boek 'Cirkel in het gras' (1985). Ook daar gaat het
over individualisten, ook daar speelt de hartstocht een fatale rol.
Sommige zinnen zouden zo van de ene roman naar de andere getransplanteerd
kunnen worden. In 'Cirkel in het gras' zegt Simonetti: "Paring,
daar leef ik voor. Paring, paring en nog eens paring." Hanna antwoordt:
"Trouw zijn, dat kun je niet. Met iemand vergroeien, geven en nemen,
dat kun je niet." Zo'n antwoord krijgt in 'Hokwerda's kind' geen
kans.
|