|
|
![]() |
| Weblog | Proza | Poëzie | Columns | Audio | Zoeken |
|
Lettergrepen 393Over 'Hokwerda's kind' (2002) van Oek de JongChroom Digitaal Proza, december 2002 door Hans Werkman De roman 'Hokwerda's kind' van Oek de Jong verscheen op 22 oktober in een plantenkas van de Amsterdamse Hortus. Dat was geen goede plek, het boek geurt niet warm, het wasemt afbraak en vernietiging. Maar dat wist ik in die plantenkas nog niet, dus ik keek onbevangen rond en praatte wat met de enkelen die ik daar kende. Er werd veel gerookt. Ik wilde dus tram 9 weer pakken, maar daar nam Marcel Möring het woord. Hij zei geraakt te zijn door een prachtige scène aan het begin van de roman. Het bleek dezelfde te zijn als waar ik uit citeer aan het begin van mijn recensie. Hij had het ook over de liefdevolle sensualiteit waarmee zowel Amsterdam als Friesland beschreven waren. Zou hij dat nu menen? dacht ik later. Nergens in de roman heb ik liefdevolle sensualiteit kunnen ontdekken, wel losse sensualiteit, maar dat is wat anders. Hoe verschillend kijken mensen tegen de dingen aan. Het maakte me nieuwsgierig naar de recensies. ProductietijdMeteen al ik in het weekend van 25 en 26 oktober werd ik rijkelijk bediend. De uitgeefster had de Grote Pers voorexemplaren gestuurd. Die exemplaren, vertelde de uitgeefster in de plantenkas, waren klaar op 15 oktober. De recensenten hadden ze dus op de 16e of 17e ontvangen en hun besprekingen moesten klaar zijn op de 22e of 23e. Vijf of zes dagen om een boek van 444 bladzijden te lezen, te wikken, te wegen, hier en daar te herlezen en er een stuk over te schrijven. Dat kan ik niet. Ik heb meer te doen, ik wens geen haast- en nachtwerk, maar gelukkig behoort het ND niet tot de Grote Pers. Op de 26e had ik het boek in huis, ik deed veertien dagen over het lezen, want ik heb zoals gemeld meer te doen, en besteed nu mijn vrije zaterdag aan het recenseren opdat u, lezer, vandaag ontdekt dat 'Hokwerda's kind' uw roman niet is. Ik vergeet te vermelden dat Oek de Jong op 16 augustus de laatste pagina schreef en de revisie van het boek op 4 september klaar had. Een productietijd voor de uitgever van zeven weken, dat is waanzin, daar staat bij de doorsnee uitgever een draagtijd van negen maanden voor. Soms kan wat niet kan. Als de uitgever het Grote Geld verwacht. Vóór vandaag 17.35 uur (het moment waarop mijn recensie klaar was) heb ik geen stukken van anderen over 'Hokwerda's kind' gelezen. Nou ja, een flard T. van Deel, waarin de naam "Couperus" en het woord "magistraal" voorkwamen. Maar nu, 19.30 uur (mijn stuk is dus klaar en blijft ongewijzigd) heb ik de zeven recensies gelezen die op 25 en 26 oktober verschenen. Een ervan is ernstig afkeurend, een geeft een zes en de rest applaudisseert het hele stadion kapot. Ik hou er wel van de partij van de minderheid te kiezen, ik ga straks bij Arjan Peters staan. EinderMax Pam in HP De Tijd meent "dat je met deze roman soepel wegzeilt, voortgeblazen door een aangename bries, de einder tegemoet". Met de laatste woorden ben ik het eens, en achter de einder is niks meer. "Het centrale thema is het gebrek aan betrouwbaarheid," meldt Pam, en "er valt veel in te genieten." Ingrid Hoogervorst heeft het in De Telegraaf over "een bedwelmend liefdesdrama" met "mooi uitgewerkte erotische scènes". T. van Deel in Trouw gebruikt meteen in zijn eerste zin al de term "magistrale roman". Thomas van den Bergh in Elsevier constateert dat Oek de Jong zich lijkt "te hebben bevrijd van zijn demonen", namelijk depressies en mystiek. Nu "draait de carrousel van de liefde overuren". Nu komt het zesje van Jeroen Vullings in Vrij Nederland. Hij vindt het "prima dat De Jong als romancier een onderwerp als seks exploiteert", maar omdat de schrijver van geen ophouden weet, bereikt hij niet het beoogde effect: opwinding. De roman is te lang, maar de personages zijn levensecht (nu is Jeroen V. inconsequent). Marja Pruis in De Groene had een "ouderwetse leeservaring: alsof alles toch weer even te vatten is". Ten slotte Arjan Peters in De Volkskrant. Hij ziet zich tot zijn spijt geconfronteerd met "enkele honderden bladzijden zweterige bedscènes" in plaats van met de ideeënroman die hij van Oek de Jong verwacht had. Volgens hem wordt de tragedie bovendien "verpest" door 'de houterige stijl". Met de eerste spijt kan ik geheel meegaan, met de tweede voor een deel. Stijl en inhoudWat ik in deze recensies mis: een reactie op de inhoud, op wat mensen doen en elkaar aandoen. Recensenten lijken slechts aangeraakt te worden door stijl. Ze vertellen het verhaal natuurlijk wel, maar je merkt nauwelijks dat het hun bezighoudt, ze lijken zich niet te kunnen identificeren of anti-identificeren met datgene wat door stijl inhoud heeft gekregen. Ze verarmen hun taak door het alleen te hebben over esthetiek, niet over ethiek. Ben ik dan zo'n andere lezer? Ik raak in gesprek met de romanfiguren, ik erger me aan hen of ik voel met hen mee. Daar heeft ook de stijl veel mee te maken. Zich identificeren of anti-identificeren lukt beter naarmate de stijl beter is. Maar wanneer ik vervolgens alleen op de stijl zou reageren, zou ik me voelen als Max Pam, die het verhaal over "het destructieve leven" van Henri en Lin een "puur narratieve verrassing" vindt, waarin "veel te genieten valt". Het lukt mij maar niet mijn visie op het leven in te vriezen als ik recenseer. Vorm en inhoud zijn één. Ik wil ook reageren op wat de mensen in een roman met mij dóen. BriefZeventien jaar geleden was Oek de Jong dit met mij eens. 'Cirkel in het gras' was verschenen, een grootse roman. Ik constateerde in deze krant dat, evenals in 'Opwaaiende zomerjurken', de hoofdfiguren zich in hun beste momenten bevrijd voelen in mystieke onbeweeglijkheid, onbekommerdheid, belangeloosheid. De blikseminslag van de bevrijding is weliswaar van korte duur, maar ze bestaat. In 'De inktvis' (1993) sloeg deze mystieke ervaring helemaal naar binnen en was de hoofdpersoon gevorderd tot een langdurige spirituele bevrijding. In 1985 schreef Oek de Jong mij naar aanleiding van mijn recensie over 'Cirkel in het gras':
(De brief is eerder gepubliceerd in een interview dat ik met Oek de Jong had in Woordwerk nr. 46, juni 1994.) Van God losIn 'Hokwerda's kind' ontbreekt de religie geheel, het is een roman zonder "spirituele kwaliteit". Dat ik daarbij de vinger leg, zal Oek de Jong begrijpen. Hij zou dat althans in 1985 begrepen hebben. Voorlopig moet ik hem aan het begin van de 21e eeuw schrappen uit het rijtje van belangrijke spirituele schrijvers die in het laatste kwart van de 20e eeuw begrepen dat leven zonder geestelijke dimensie onvruchtbaar is (Willem Jan Otten, Vonne van der Meer, Frans Kellendonk, Oek de Jong, Marcel Möring). Zou hij in de toekomst de spiritualiteit weer een kans geven? Heeft hij ze in 'Hokwerda's kind' verdrongen, zoals hij ook zijn persoonlijke visie op liefde buiten de roman heeft gehouden? Dit laatste maak ik op uit een interview dat hij een paar weken geleden op de TROS-radio had. Mieke van der Wey zei (en je hoorde de frons in haar stem): Daar word je nou wel heel somber van, hè, meneer De Jong, wat een gedoe zeg, het loopt ook allemaal wel heel erg slecht af, hè? (of woorden van die strekking). Oek de Jong haastte zich bijna struikelend te antwoorden: Maar dit is ook helemaal niet míjn visie op de liefde, hoor. We wachten dus maar op de volgende roman. Deze vergeet ik liever, deze is helemaal van God los. Maar ziedaar, in Trouw staat 'Hokwerda' op 3 in de toptien van best verkochte romans. 'Het zwijgen van Maria Zachea' van Judith Koelemeijer op 4, dat gelukkig wel. En (rechtvaardigheid!) 'Het laatste seizoen' van Vonne van der Meer bóven 'Hokwerda' op 2. |
|
Deze column werd eerder gepubliceerd in het Nederlands Dagblad, op 15 november 2002. Zie ook: recensie door Hans Werkman in ND 15 november 2002 |
|
|
|
Chroom Digitaal: online vraagbaak voor religieuze en christelijke literatuur |