|
Neuriën voor het
zingen uit
Over 'Neuriënde mensen' (2000) van
Willem Jan Otten
Chroom Digitaal Poëzie, september
2001
door Alfred Valstar
Ter gelegenheid van de jaarwisseling verscheen bij zet- en productiebedrijf
Perfect Service de bundel 'Neuriënde mensen' van Willem Jan Otten, de
eerste met nieuwe gedichten sinds 'Eindaugustuswind'. Op de omslag staat:
PS poëzie [2]. Hieruit mogen we afleiden dat het om een reeks
gaat die ieder jaar met een bundel zal worden uitgebreid (nummer [1]
was 'Eenden op een nacht ijs' van Ed Leeflang).
Otten is volledig zichzelf, hij schrijft prachtige gedichten en zegt
wat hij te zeggen heeft. Het christelijk geloof is opnieuw belangrijk
aanwezig, maar krijgt altijd een plaats die de poëzie niet stoort. Desondanks
lijkt het begin wat polemisch. De titel van het eerste gedicht is 'Tegen
het zoeken zonder te willen vinden' (pag. 7). Het lijkt of hij hier
stelling neemt tegen de critici die vinden dat de combinatie geloof
en poëzie een onmogelijke is. Hij lijkt op mensen te doelen die "tot
vinden onbekwaam" zijn en wie iets "vindt" is verdacht:
Was u tot vinden onbekwaam,
waarom tot deze regel ingegaan?
Lezen doet men toch. We zijn nieuwsgierig. Waarom zouden we nieuwsgierig
zijn naar niets? De kritiek ligt op de loer, Otten beseft het zich terdege:
Met in uw hand al lang de speld
betreedt thans mijn hooi van rijm.
Het "hooi van rijm" van de dichter geeft aan dat poëzie kwetsbaar
is als de mens zelf. Enige zelfrelativering kan geen kwaad. Desalniettemin
leest de lezer, de criticus, de niet-vinder. Wie leest moet echter wel
vinden. Wie leest verwekt:
Zo ik u nu tot lezen wek,
u bent de meester. U verwekt.
Vinden is tot leven komen. Zo staan we direct voor het hoofdthema
van deze bundel: Pasen (dood en leven). 'Late Pasen' (pag. 11) sluit
af met: "je gaat er aan om te bestaan", wie zijn leven verliest, die
zal het vinden. Elders schrijft Otten (pag. 16):
Zijn god ging opgehangen dood, het lijk verdween, en ach,
toen hing hij het geloof aan van het lege graf
Alexander de Grote
Geloven is een zoektocht, waarbij iets gevonden wordt. Dit betekent
natuurlijk niet dat de gelovige "uitgezocht" raakt. Beelden van dit
zoeken treffen we in de twee Alexander-gedichten aan. Otten identificeert
zich in innerlijke zin met Alexander de Grote, die aan zijn Indus staat.
Het is een persoonlijk verhaal:
Aan mijn Indus in het verste oosten
kreeg ik hem te zien. Hij stond
tot aan zijn middel in de stroom
Alexander zag een visser die "wierp en wierp en viste zonder vangst".
Dit doet denken aan de discipelen van Jezus voor de wonderbaarlijke
visvangst. Zij hadden lang tevergeefs gevist. De visser wordt Alexander
tot een spiegel. De strijder wordt strijder-af:
staan en dood mij, dood mijn angst
voor wie niet met mij streed, leer mij
hier te blijven, op de oever, leer mij zijn
degeen die zweeg, en liet, niet overwon.
Ook dit sterven past bij het thema van dood en leven. Op pagina 19
wordt de dood een draaideur waar iedereen op zijn tijd door heen gaat:
Eén verdwijnt in het donkere hotel.
De volgorde ligt al vast. Van tweeën één
Ararat onderaards
Het positieve van een draaideur is echter dat je er weer een keer
uitkomt. Het gedicht eindigt met "ik ben nu vrij". Mooi is ook het beeld
van de dood dat de dichter schetst in 'Ararat
onderaards'. In een "schachtenlabyrint" verrichten stervelingen
dingen die aan het einde van het zondvloedverhaal doen denken. De parallel
is duidelijk: de zondvloed was een dood en door dé dood heen stoot de
mens, net als de ark, op een (onderaardse) Ararat.
De titel van de bundel komt in twee gedichten terug. Eerst in 'Alexander
beseft dat geen niet de enige is' (een neuriënde Babylonische schudt
zijn kussen) en daarna in 'Mis in g klein (Bach)' (Er bestonden neuriënde
mensen.) De Babylonische, die zijn kussen schudt, is blijkbaar belangrijk
voor Alexander. Het opschudden van het kussen staat ook voor het opschudden
van het leven. Bovendien herinnert "Babylonisch" aan ballingschap, iemand
die weet heeft van ontheemding. Alexander lijkt hierdoor te ontdekken
dat hij zelf ook "ver van huis is". In het tweede gedicht, gaat het
over gewone mensen die iets bijzonders hebben in het alledaagse (Albert
Heijn, villabuurten). Deze mensen neuriën en weven, fietsende, door
hun "lied" een kyrie. De dichter stemt in:
Alleen wanneer ik neurie,
wist ik, weef ik mee.
Het individuele en het gemeenschappelijk moeten in balans zijn. Beide
zijn hier onverbrekelijk:
Wij waren niet te kennen
anders dan als fuga eens.
Viel er één af, hij droeg
het weefsel naar zijn ene graf.
Er is er geen die niet,
en neuriënd, voor altijd was.
Het neuriën gaat aan het zingen, aan de fuga vooraf, maar is niet
minder dan het zingen zelf.
Concentratie gevraagd
In het begin had ik het over prachtige gedichten, maar van de lezer
vergen deze verzen wel wat concentratie. Nooit een overbodige luxe natuurlijk,
bij het lezen van gedichten. Bij Willem Jan Otten lijkt concentratie
toch een wat grotere noodzaak dan bij veel andere dichters. Leestekens
worden bijvoorbeeld zeer zorgvuldig en bewust gebruikt ("volgt
u, mijn lezer, u, begin." (pag. 7)). Daarnaast gebruikt hij soms
neologismen en "moeilijke woorden" (oogwitbres, onderzodenklam, presentia,
petrusmaalstroom, overhuifd). Wat mij betreft maken dit soort woorden
de gedichten alleen maar interessanter, zeker wanneer ze met alledaagse
begrippen als Albert Heijn en tissue worden gecombineerd. Jammer vind
ik het wel dat de bundel geen echte rug heeft. Hierdoor verdwijnt hij
wat naamloos in de boekenkast.
|