Weblog | Proza | Poëzie | Columns | Audio | Zoeken

 

Een lezing over de rechtszaak rond 'Nader tot U'

De God van Gerard Reve

Chroom Digitaal Proza, juli 2001

door Henk van den Bosch

Bij het lezen van de boeken van een van mijn favoriete schrijvers stuitte ik in 'Nader tot U' op de beruchte Ezel-passage, waarin Gerard Reve tijdens een dronken fantasie het ultieme boek schrijft en daarna sex heeft met God die in de gedaante van een ezel bij hem op visite komt (blz. 112-113; in 'Verzameld Werk Deel 2' op blz. 296). In eerste instantie was ik geneigd deze "blasfemische" pagina maar uit het boek te scheuren. Degene echter die in Reve is geïnteresseerd en de moeite doet verder te lezen, kan veel meer vinden dan alleen maar blasfemie. Ik was geïnteresseerd, las verder en vond het volgende godsbeeld, dat duidelijk afwijkt van het traditioneel-gereformeerde, maar in mijn ogen de moeite waard is om kennis van te nemen.

Voor een ieder die zich wil verdiepen in het Godsbeeld van Gerard Reve is één bron waarschijnlijk de belangrijkste: zijn eigen pleidooi in het proces voor het Amsterdamse Gerechtshof op 17 oktober 1967. Dit pleidooi is weergegeven in Jan Fekkes: 'De God van je tante, ofwel het Ezelproces van Gerard Kornelis van het Reve' (1968). In het vervolg zal ik kortweg spreken van 'Pleidooi'.

Nadat er veel ophef is ontstaan over religieuse uitlatingen van Gerard Reve in het tijdschrift Dialoog en in zijn brievenboek 'Nader tot U', jan fekkes: de god van je tantenadat het Eerste Kamerlid Hendrik Algra als een furie tekeer is gegaan tegen Reve (hoewel hij de omstreden fragmenten niet zelf had gelezen), en nadat het Tweede Kamerlid ir. Van Dis schriftelijk vragen over deze zaak heeft gesteld aan de ministers van Justitie en C.R.M., resp. de heren Samkalden en Vrolijk, komt het tot een rechtszaak wegens "smalende godslastering" tegen Reve. Op 20 oktober 1966 dient de zaak voor de Amsterdamse rechtbank. Reve wordt verdedigd door mr. H.R. Eyl, terwijl het hoogtepunt in deze procesdag wordt gevormd door het prachtige requisitoir van de officier van Justitie, mr. J.J. Abspoel. Men komt tot een merkwaardige uitspraak: Reve wordt niet vrijgesproken van het ten laste gelegde, maar men ontslaat hem wel van verder rechtsvervolging. Zowel Reve als de officier van Justitie gaan in beroep.

Op 17 oktober 1967 dient de zaak voor het Amsterdamse Gerechtshof. Reve heeft besloten zichzelf te verdedigen, en hij doet dat middels een schitterend pleidooi, waarin hij voor het eerst dieper ingaat op zijn godsbeeld. Het Hof spreekt hem volledig vrij. De advocaat-generaal tekent cassatie aan bij de Hoge Raad. Dit hoogste rechtscollege concludeert dat het cassatie-beroep niet ontvankelijk verklaard dient te worden, en spreekt Reve op 1 april 1968 – de zaak sleepte dus toen al ongeveer anderhalf jaar – volledig vrij.

Het godsbeeld van Reve

Tot zover een beknopt overzicht van de rechtsgang. Ik zal nu verder op Reve's omstreden godsbeeld ingaan, en daarbij voornamelijk gebruik maken van zijn hierboven genoemde pleidooi. Daarnaast gebruik ik passages uit zijn prachtige brievenboeken gerard kornelis van het reve: nader tot u'Nader tot U' en 'Op weg naar het Einde', m.n. enkele gedichten uit de 'Geestelijke Liederen' uit eerstgenoemde boek.

Allereerst plaatst Reve zijn godsbeeld tegenover het algemeen aanvaarde godsbeeld. Die algemeen geaccepteerde God noemt hij de God van Nederland, of: "zoals onze grote schrijver Nescio hem in zijn onsterfelijke verhaal 'Dichtertje' noemt, de God van je tante, die zei, dat je moest groeten als je langs het huis van je baas kwam, (...) ook al zag je niemand, je kon nooit weten wie het zag'".

Reve stelt, dat de hele ophef, en ook de rechtszaak rond zijn boeken, het gevolg is van een conflict tussen twee godsbeelden: dat van de emanente en dat van de immanente God. "Alle narigheid komt hieruit voort, dat God voor mij niet is de gans andere, de emanente, maar het meest eigene, dat wil zeggen: de immanente. Mijn God is kennelijk niet de God van Nederland."

Voor Reve dus beslist niet de "toornige, onberekenbare, maar allerminst om de tuin te leiden oude huistiran, tegenover wie zij zich gedragen als kinderen, die zich koest houden, omdat straks, aan het eind van de dag, vader thuis komt. Ik heb al vaker gezegd dat ik niemand dat godsbeeld misgun, maar blijf erop staan, desgewenst uitbeelding te kunnen geven aan het mijne."

Maar hoe ziet die God van Reve er dan uit? Gelooft Reve eigenlijk wel in een God? Reve-kenner Sjaak Hubregtse betwijfelt dat: "Dat iemand die religieus is gelooft in het bestaan van God, lijkt geen gewaagde veronderstelling. Toch moeten we terzake van wat Reve zijn religie noemt juist met betrekking tot dit fundamentele punt vaststellen dat Reve niet in de eerste plaats, zeker niet voortdurend, en misschien zelfs wel: niet, in het bestaan van God gelooft." Hij voert voor deze stelling eigenlijk maar een bewijsplaats aan: de laatste drie regels van het volgende gedicht uit 'Nader tot U':

VAN HET EEN KOMT HET ANDER

Terwijl Teigetje mij vertelde hoe verliefd hij was geweest
op een politieman zijn donkerblonde zoon,
kwam Douwetje, droom van de pederast, gelaarsd in paarse spijkerbroek,
per fiets voorbij, kennis is macht, op weg naar school.
De dieren legden zich neder. Het woud zweeg stil.
Van stenen werd het binnenste geroerd.
Snachts droomde ik dat ik in God geloofde.

Hubrechtse: "Hieruit kan men concluderen dat alleen in een niet-bestaande, ideale situatie het geloof in God aanwezig is. En is het misschien wat kras om te beweren dat Reve niet in God gelooft, twijfel is er in elk geval." Hiervoor voert hij dan als bewijs aan het gedicht 'Dagsluiting'. Ik ben het met deze stelling niet eens, ik zou hem om willen draaien: er is veel twijfel aan God, zoals blijkt uit:

DAGSLUITING

Eigenlijk geloof ik niets,
en twijfel ik aan alles, zelfs aan U.
Maar soms, wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft,
dan denk ik, dat Gij Liefde zijt, en eenzaam,
en dat, in zelfde wanhoop, Gij mij zoekt,
zoals ik U.

Maar hij moet uiteindelijk wel bestaan, als Grote Zingever, zoals zich laat lezen uit het ontroerende:

ROEPING

(voor de Zusters van Liefde, te Weert)

Zuster Immaculata, die al vier en dertig jaar
verlamde oude mensen wast, in bed verschoont,
en eten voert,
zal nooit haar naam vermeld zien.
Maar elke ongewassen aap die met een bord:
dat hij voor dit, of tegen dat is,
des middags het verkeer verspert,
ziet savonds reeds zijn smoel op de teevee.
Toch goed dat er een God is.

De vraag of Reve eigenlijk wel in een God gelooft is daarmee beantwoord. De andere vraag echter nog niet: hoe ziet die God van Reve er dan uit? We hebben al gezien dat Reve's God immanent is, maar daarmee zijn we nog niet zo ver. Een andere aanwijzing vinden we in 'Nader tot U': "Alles is uit de Liefde ontstaan. (...) Het is niet zo dat de Liefde een van Gods attributen is, maar de Liefde is God zelf. Uit haar is alles ontstaan, en niets is ontstaan dat niet uit haar ontstaan is. Als niets meer zal zijn, zal nog de Liefde zijn, want de Liefde, en God, dat zijn twee woorden voor een en hetzelfde, onderling vervangbaar en identiek."

God is Liefde

In het Pleidooi gaat Reve hier verder op in: "Indien God en de Liefde dezelfde zijn en gedurende de veertig minuten per jaar, dat het mij gelukt te geloven, dat God eens zal zegevieren en alle tranen zal afwissen, kan ik het niet anders zien dan moet dit betekenen dat God meer lijdt dan alle schepselen die geleefd hebben, leven en zullen leven te zamen, en dat Hij door ons getroost moet worden." Als bewijsplaats voert Reve zelf het volgende gedicht aan:

AAN DE MAAGD, VIERDE PERSOON GODS

Gij, die niet veel gesproken hebt,
maar alles in Uw hart bewaard –
U groet en troost ik, lieve Moeder,
Gezegende.

Hieruit blijkt overigens ook, dat Reve Maria ziet als waarlijk God, een Goddelijke Persoon naast de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, en samen met hen deel uitmakend van de Allerheiligste Viervuldigheid, ook wel de Heilige Familie genaamd, en waarvan Reve verwacht dat het voor het jaar 2000 als rooms-katholiek dogma aanvaard zal worden, maar dit terzijde.

Resumerend: God is Lijdende Liefde, die getroost dient te worden. Hiermee hangt samen de houding die Reve ten aanzien van zijn God aanneemt. Reve: "Wanneer ik er nu van uitga, dat het de vervulling van 's mensen bestemming is, God lief te hebben, dan rest mij nog slechts de vraag, welke soort liefde jegens God ik mij dan als ideaal zou moeten stellen." Hij geeft meteen zelf het antwoord: de meest onbaatzuchtige en meest onvoorwaardelijke liefde, maar zoekt dan nog verder naar een pendant. "Is dat de liefde van kinderen jegens hun vader? Die liefde is verre van belangeloos: zij is gemengd met vrees voor straf, en voor verlies van geborgenheid." Het is ook niet de liefde tussen broers, zusters, vrienden. Nee, "het is de liefde die ouders koesteren jegens hun kind. Deze liefde vraagt, indien zij echt is, niets, en geeft alles. Aldus moeten wij God liefhebben als ons Kind."

Tot slot, uit Reve's godsidee, nog het volgende: "God is erg eenzaam (...)" ('Op weg naar het einde', blz. 68). En: "Misschien wordt nergens elders in mijn gehele werk met zo weinig woorden mijn Godsbegrip zo bijna volledig verwoord. De gedachte die aan de uitspraak God is erg eenzaam' ten grondslag ligt de idee van een liefdesleed en verlatenheid kennende, en ondanks zijn almacht van de liefde zijner schepselen afhankelijke God duikt telkens weer op in mijn werk (...)."

We schieten op: we kennen nu reeds vijf elementen die de God van Gerard Reve kenmerken:

  • God is immanent,
  • God is Liefde,
  • God lijdt,
  • God is ons Kind,
  • God is erg eenzaam.

Hoe gaat Reve nu met deze God om? Wel, zoals wellicht bekend, op een nogal vrijmoedige manier. "Zoals ik God zoek en Hem wil liefhebben en dienen (...), zo ook wil God zich aan mij onderwerpen, en zich zelfs sexueel door mij laten bezitten." Dat dit een homosexueel contact is doet niet ter zake: "de Godheid (...) is van oudsher niet kieskeurig, maar lust van het hele varken'."

God en Ezel

Dan over de incarnatie van God in de gedaante van een ezel, zoals in de omstreden passages het geval is: "God is Een, allicht, maar in hoeveel personen Hij zich manifesteert lijkt mij van ondergeschikt belang, en een Persoon meer kan volgens mij nooit kwaad: beter ergens mee, dan om verlegen, zeg ik maar." En waarom dan een ezel? Wel: "Het liefste, meest schuldeloze schepsel dat ik ken, is, naast de olifant, de Ezel. Indien enig schepsel, dan is wel dit wezen het toonbeeld van goedheid, trouw en duldzaamheid. Het is geen toeval, dat volgens de overlevering de Ezel een van de slechts twee uitverkoren dieren is, die aanwezig mogen zijn bij de geboorte van God. (...) Alleen iemand zonder hart kan mijn idee, dat God als Ezel incarneert, ten kwade uitleggen, (...)."

Hiermee heb ik denk ik een aardig beeld gegeven van het godsbeeld van Gerard Reve, zoals dat tot uitdrukking komt in 'Nader tot U' en 'Op weg naar het einde'. Ik wil hieromtrent nog een aantal kanttekeningen plaatsen.

Ten eerste wordt in het voorafgaande telkens gesproken over Reve's godsbeeld. Nu is God slechts een lid van de Heilige Familie, en het belangrijkste lid van die Familie is voor Reve natuurlijk niet God, maar Maria. Haar rol valt echter buiten het bestek van deze pennevrucht. Lees hierover bijvoorbeeld Reve's Huizingalezing 'De Vrouw van Rome' uit 1985.

En ten tweede: Reve's visie op God, op religie, lijkt een zeldzaam particularisme. Ik vind het zelf heel moeilijk hier een oordeel over te geven. Duidelijk is dat Reve's ideeen buiten het bestek van elk kerkgenootschap vallen. tirade 80-81 - augustus/september 1963Maar er zitten wel veel elementen in die mij persoonlijk zeer aanspreken. Helemaal alleen staat hij dus niet. Maar of er, zeg maar "gekanaliseerde", geestelijke stromingen bestaan waarmee Reve verwantschap toont, dat weet ik niet. Reve zelf geeft een hint: met betrekking tot zijn idee dat wij God moeten liefhebben als ons Kind, zegt hij: "(...) en voordat ik teksten in handen kreeg waaruit bleek dat ik allerminst een eenzaam genie was (...)". Hij kent dus geestverwanten, maar hij noemt ze niet. Sjaak Hubregtse noemt wel een naam. "Reve's opvattingen in deze vertonen bijvoorbeeld een gelijkenis met die van Arthur Schopenhauer (1788-1860), en dan met name zoals die zijn weergegeven in de dialoog 'Über Religion'".

Verder is Reve te plaatsen in een middeleeuwse traditie. In Huizinga's meesterwerk 'Herfsttij der Middeleeuwen' vond ik (in hoofdstuk 12: 'De verbeelding van al het heilige') het volgende: "Er is onder de ontroeringen van het katholiek geloof zeker geen sterker en inniger dan het besef van de onmiddelijke en wezenlijke tegenwoordigheid Gods in de gewijde hostie. (...) Maar in de middeleeuwen met hun naïeve onbeschroomdheid gemeenzaam over het heiligste te spreken, wordt het aanleiding tot een spraakgebruik, dat somtijds profaan kan schijnen. (...) Van een priester, die met een hostie op een ezel zijns weegs gaat, heet het: 'un Dieu sur un asne'. (...) Zonder de geringste spottende bedoeling kon de gemeenzaamheid met al het heilige en de zucht tot verbeelden ervan leiden tot vormen, die ons onbeschaamdheden zouden kunnen schijnen." (Dat deze vormen ook zeer sexueel geladen konden zijn toont Huizinga aan in hoofdstuk 14 van zijn boek). Mijns inziens staat Reve's mogelijk profaan aandoende beschrijving van zijn godservaringen op een lijn met dit in de late middeleeuwen volstrekt geaccepteerde type van godsdienstig leven'.

Er is nogal fel gereageerd op Reve's godsbeeld, zoals dat werd geventileerd in de beruchte ezelpassage. Zo fel zelfs, dat het, zoals hierboven is gememoreerd, kwam tot kamervragen en een rechtszaak. Ik wil nu een poging doen deze reacties enigszins in kaart te brengen.

Protest tegen Reve

De felste tegenstanders konden worden gevonden in de, om het onder een noemer te brengen, reformatorisch-calvinistische hoek: mensen als Algra (ARP), Van Dis (SGP), Beerekamp (CHU), en dergelijke. Ik denk dat ik de waarheid niet al te zeer geweld aan doe wanneer ik hierbij prof. dr. G.A. Lindeboom tot hun woordvoerder benoem.

Lindeboom was hoogleraar medicijnen aan de VU, en hield zich in zijn vrije tijd bezig met de kwestie-Reve. In 1967 publiceerde hij hierover bij uitgeverij Wever te Franeker een klein boekje onder de veelzeggende titel 'God en ezel. Van het Reve's ezelgod in het oordeel van enige gereformeerde theologen. Een protest.' Lindeboom richt zich in het boekje niet zozeer tegen Gerard Reve, als wel tegen een drietal theologen die het hadden gewaagd een gustig woord over Reve te laten horen. Dit wordt de theologen in kwestie, Rothuizen, Kuitert en Brussaard, hoogst kwalijk genomen: "dit (deed) de vraag (...) rijzen, of zulk een oordeel vanuit algemeen-Christelijk standpunt nog aanvaardbaar kan worden geacht". Maar alvorens de theologen de oren te wassen grijpt Lindeboom eerst Reve bij de lurven.

Allereerst wordt hem "schuttingwoorden-schrijverij" verweten, tezamen met zondaars als Cremer en Wolkers. Reve's literatuur is pornografie en dient verboden te worden. Dan verwijt hij Reve zijn spelling: Reve is de kans op een ernstige terechtwijzing door onderwijzer of leraar ontgroeid, en schrijft daarom voortdurend in de trant van "Piet zijn pet" in plaats van "Piets pet".

Maar de echte verwijten moeten nog komen. Reve is een auteur die:

a) met zijn homosexualiteit te koop loopt en zijn homosexuele ervaringen en verlangens met een zekere wellust, om niet te zeggen trots, ten toon spreidt;
b) lijdt onder zijn drankzucht;
c) een zeker godsverlangen ondervindt;
d) bang is voor de dood;
e) niet verheelt met zijn schrijven zoveel mogelijk geld te willen verdienen.

Na deze opsomming laat Lindeboom een literator zijn oordeel uitspreken: A. den Doolaard komt uitvoerig aan het woord en kraakt de "allesdurvende kampioen-homofiel" genadeloos af. "Ik heb gemeend goed te doen dit vernietigend oordeel van een letterkundige, die zijn sporen verdiend heeft, hier iets uitvoeriger weer te geven, zodat diegenen, die Van het Reve's beide boeken niet kunnen savoureren, weten geen minderwaardigheidscomplex te behoeven te krijgen (...)", aldus Lindeboom, en hij zal Den Doolaard in zijn verder betoog dan ook te pas en te onpas aanhalen.

Met Den Doolaard verwijt hij hem, naast "literair onverwerkt sadisme en pseudo-artistieke neuspeuterij", ook een duidelijke opzet om op onsmakelijke wijze te schokken. "Zo zou men de Godslasterlijke passage moeten beschouwen", of met de woorden van Den Doolaard: "Wat er aan vermeende Godslastering in staat, is deels infantiel en warhoofdig, anderdeels met perfide inzicht in de starre mentaliteit van de brave godsdienstige burger in elkaar geknutseld om hem eens lekker op de bok te jagen." Zo gaat Lindeboom ruim zestig bladzijden tekeer. Hij is Kwaad. Een paar steekwoorden: "De nationale schande", "sacrale bestialiteit", "sacrale homosexuele prostitutie", "Godslasterlijk", "Tierschündung', "smeerlapperij".

Verder van Mij

Heel grappig is nog het volgende: op een gegeven ogenblik voert Lindeboom een zekere pater Anastase Prud'homme, "kleizoon van de bekende Joseph Prud'homme", ten tonele. Deze heeft een artikel gepubliceerd, 'Verder van Mij' geheten, "dat in zijn geheel in de ironische trant is geschreven (...)", en waarin Reve geducht de les wordt gelezen, evenals kerkgenoten die Godslasteringen en de "Griekse beginselen" aanvaarden. Helaas is Lindeboom niet in staat pater Prud'homme te ontmaskeren als degene die hij is, namelijk de met een in zwavelzuur gedoopte pen schrijvende Willem Frederik Hermans. Waarschijnlijk is dit een van Hermans' grootste successen!

In zijn artikel (dat ik heb gelezen in 'Tussen chaos en orde' van Hubregtse) noemt Hermans Reve "de Don Juan van de veestapel". Verder stelt hij dat "de enige God in wie hij (= Reve) metterdaad gelooft, is ezeltje-schijtgeld". Het is moeilijk om op basis van dit satirische artikel Hermans' positie ten opzichte van Reve te bepalen (het zijn bepaald geen dikke vrienden!), maar dat hij niet thuis hoort in het kamp van Lindeboom c.s. lijkt mij een duidelijke zaak.

Gelukkig zijn er ook andere reakties, en de eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik me daar beter bij thuis voel. Ik citeer er een aantal.

Adriaan Morrien: "Het ergerlijke van dit soort zaken is, dat christenen voor zichzelf het monopolie opeisen gevoeliger te zijn voor de raadselachtigheden van het leven dan andere mensen. Fanatieke gelovigen zijn niet in staat hun eigen geloof te relativeren, zij kunnen zich gewoon niet voorstellen dat hetgeen zij van de kansel verkondigen voor sommigen net zo godslasterlijk kan zijn."

Kees Fens: "Over godsbeelden en godsvoorstellingen valt niet te twisten. Zou er getwist moeten worden, dan zou ik me beledigd kunnen voelen door het godsbeeld van ir. Van Dis, zoals hij dat oprichtte al pratende met Bibeb in Vrij Nederland (fragment uit dat interview: Van Dis: "U zei dat Van het Reve gelooft? Een homosexueel die echt gelooft lijkt me echt onmogelijk. Leest u maar Romeinen eerste hoofdstuk, over mannen die het natuurlijk gebruik van de vrouw nalaten..." Bibeb: "Volgens u komen homosexuelen in de hel?" Van Dis: "Natuurlijk." Bibeb: "Wat gebeurt er dan?" Van Dis: "Ze zullen hun tongen kauwen van pijn in gezelschap van de duivel, gescheiden van God."). Wie meent dat er gelasterd wordt, gaat uit van een eenvormig godsbeeld, dat van bovenaf gesanctioneerd is en beveiligd dient te worden."

Alfred Kossmann: "De stijl van Van het Reve is uniek, dat blijkt uit dit boek opnieuw. Ernst en spot vallen er in samen, de clown en de profeet zijn niet van elkaar te onderscheiden."

Alain Teister: "(...) zal ik 'Nader tot U' een van de prachtigste en aangrijpendste boeken blijven vinden die ik in jaren gelezen heb".

Gerard Rothuizen: "(...) een passage die in de grond van de zaak vertederend wil zijn over God".

Aldus hoop ik een evenwichtig beeld van de positieve en negatieve kritiek te hebben gegeven. Ik wil besluiten met een prachtig gedicht – of misschien beter: credo – in de hoop daarmee de geachte lezer, wellicht ten overvloede, te overtuigen van de integriteit van de Godzoeker Gerard Reve:

BEKENTENIS

Voordat ik in de Nacht ga die voor eeuwig lichtloos gloeit,
wil ik nog eenmaal spreken, en dit zeggen:
Dat ik nooit anders heb gezocht
dan U, dan U, dan U alleen.



gerard reve: verzameld werk deel 2

L.J. Veen, Amsterdam 1999, ISBN 90-204-5623-7


Meer informatie op deze website:

Overige bronnen

  • artikel door David Bos in Trouw 18 februari 2006

Terug naar boven

 

 

 

Chroom Digitaal: online vraagbaak voor religieuze en christelijke literatuur