Ultieme vaderroman van
Jan Siebelink
Over 'Knielen op een bed violen' (2005) van Jan Siebelink
Chroom Digitaal Proza, april 2006
door Hans Werkman
Ergens in hoofdstukje 25 ligt een jonge tuinder geknield op een
bloembed waarin hij jonge violen uitzet. Hij is vol gedachten. Zojuist
heeft hij bezoek gehad van iemand die hem voor de zoveelste keer God
wil aanpraten, een wrekende God die zich misschien, misschien met de
tuinder wil verzoenen. Waarom laat die kleverige evangelist hem niet
met rust? denkt de tuinder.
Hij heeft die pafferige, altijd naar z'n eigen lichaam ruikende man
al eens hard op z'n bek geslagen. En toch is Jozef Mieras terug-gekomen
om met hem, Hans Sievez, te spreken over zijn Pniël. De broeder
in het zwarte pak is werkelijk bezorgd over hem. Bij die gedachte ebt
de wrevel van Hans weg. Knielend op een bed violen geeft hij in principe
zijn weerstand op. Een volgende keer zal hij Jozef en diens zwarte makkers
proberen vriendelijk te ontvangen. Binnen in hem is immers een leegte
die gevuld wil worden. "Ze appelleerden aan Hans' hunkering naar
het verborgene, het altijd zekere."
Vaderroman
'Knielen op een bed violen' is Jan Siebelinks dertigste boek. Het is
zijn grote vaderroman, zoals 'De overkant van de rivier' (1990) zijn
ultieme en grote moederroman was. Door zijn hele oeuvre heen sleept
Jan Siebelink uit liefde en mededogen de vader en de moeder mee op zijn
rug, als een moderne Aeneas. Al die vaders en moeders in zijn werk zijn
nauwelijks verhulde beschrijvingen van zijn eigen vader en moeder met
hun twee zonen uit de jaren veertig tot zestig, het gezin van de bloemenkweker
J. Siebelink te Velp.
Het vader- en moederwerk van Jan Siebelink komt voort uit zijn oerverhaal
'Witte chrysanten', waarin een bedeesde bloemkweker geschoffeerd wordt
door een vloekende bloemenwinkelier. Dat verhaal duikt, met kleine verschuivingen,
steeds weer op. Siebelink komt er niet los van en hij geneert zich daar
niet voor, hij etaleert het zelfs. In zijn feit/fictieboekje 'Daar gaat
de zon nooit onder' (1998) noteerde hij precies alle herhaalplaatsen.
En nu, in 'Knielen op een bed violen', treffen we de achtste of negende
herhaling aan. Is dat gebrek aan stof, of is dat obsessie? Allebei.
Herhalen
Ik ken geen schrijver die zó zijn eigen werk in varianten herhaalt
als Jan Siebelink. In 'De overkant van de rivier' en 'De bloemen van
Oscar Kristelijn' (1998) colporteren ijveraars in zwarte pakken met
zware koffers vol boeken op adressen waar hun instinct hen feilloos
op af doet koersen. De in Thomas à Kempis verzonken vader, die
in zijn kwekerij rechtstreeks door God overmeesterd wordt, waart al
een kwart eeuw door Siebelinks werk. De ene na de andere generale repetitie
voert nu in 2005 naar het ultieme vaderboek: 'Knielen op een bed violen'.
Met dat herhalen is iets merkwaardigs aan de hand. Objectief gezien
is het een zwaktebod. Een romanschrijver behoort een vaste thematiek
in te vullen met steeds nieuwe verhalen. Siebelink doet dat, zeker in
deze nieuwe roman, maar zeer ten dele. Toch geeft hij niet de indruk
dat hij een truc toepast uit gebrek aan stof. Het lijkt of hij in 'Knielen
op een bed violen' vers en fris en voor de eerste keer de zwaarmoedige
vader, de zwarte colporteurs en de Godsverschijning achter de bloemenkas
als onderwerp kiest. Als lezer van Siebelink ken ik het allemaal al,
en toch laat ik me opnieuw meeslepen door de gedrevenheid van de auteur.
Maar in mij wroet wel de gedachte: nu moet het de laatste keer zijn,
Jan, laat na dit volledige vaderboek je enorme fixatie los, althans
in je romans.
Godservaring
Ik ga zelfs verder, ik profeteer dat dit inderdaad Siebelinks laatste
vaderroman is. Tot nu toe observeerde hij de vader, intens, beurtelings
met liefde en met afschuw voor dat verstikkende geloof, maar het bleef
vooral buitenkantobservatie. In 'Knielen op een bed violen' schrijft
hij, ik denk voor het eerst, ook vanuit de vader. Hij peilt de hunkering
in de man, hij ervaart hoe waarachtig de vader is. Hier en daar verheft
in de marge van het verhaal iemand zijn stem het lijkt de stem
van Jan Siebelink zelf te zijn om de vader te bevragen in de
jij-vorm: waarom koos je niet voor eenvoudig leven en voor het eenvoudige
geloof van moeder? "Steeg, met het donkere kloppen van het bloed
aan je slapen, niet dat heel precieze, kinderlijke gevoel van afkeer
en haat op dat je zo goed gekend hebt?" In die jij-vragen komt
ook begrip mee: je Godservaring was echt.
Siebelink laat in zijn poging de vader van binnenuit te begrijpen,
ook diens karakter een rol spelen. De mannen die de leer van Poort prediken
(Poort is een alter ego van de afgezette hervormde predikant Paauwe),
treden taai en dominant op, en daar is de deemoedige vader niet tegen
opgewassen. Hij bezwijkt voor "de meevoelende toon van wie macht
heeft over de ander" (een exacte omschrijving van een bedreigende
pastorale dominantie).
Meer dan eerder heeft hij nu de vaderfiguur recht gedaan, door hem
te willen begrijpen in zijn vele angsten en zijn weinige verrukkingen.
De onchristelijke scheiding van aarde en hemel, van natuur en genade,
speelt in dat geloof een grote rol. Dat weet ook de vader zelf: "De
geurige lucht van de aarde wekte zo'n sterke heimwee op dat hij een
verbitterd glimlachje niet kon onderdrukken, alsof hij niet openlijk
heel even gelukkig mocht zijn."
Romantiek
Jan Siebelink toont zich in deze roman opnieuw een romanticus, een
fantasievol schrijver, geheel thuis in de huid van de kleine Hans Sievez,
die zich zijn fantasiewereldje heeft geschapen in het veenmoeras rondom
het dorp Lathum, waar hij de Verboden Zee ontwijkt door van eilandje
naar eilandje te springen, van Zuring naar Patmos naar Dovenetel. Nadat
Hans van huis is weggelopen, verplaatst zich het toneel naar Den Haag.
De bloemkwekerij waar Hans het vak leert, wordt weer heel sfeervol beschreven,
evenals het huis aan de Laan van Meerdervoort waar een bazige hospita
Hans belaagt met moederlijkheid. Aan de horizon van de idylle daagt
een donderwolk in de persoon van Jozef Mieras.
Siebelink heeft gesnoven aan het naturalisme; de romantiek houdt het
maar kort uit. En toch zit er ook een optimistische toon in deze roman:
de liefde tussen Hans en Margje houdt het wél uit, ondanks de
neergang van de kwekerij, ondanks de deprimerende "afmanende prediking"
van de mannen met koffers vol boeken.
Ik heb romanstoffelijke bezwaren tegen de zoveelste herschikking van
verhaalelementen in 'Knielen op een bed violen'. Tegelijkertijd vind
ik het een indrukwekkende en integere roman. Jan Siebelinks lichte verteltrant
staat er borg voor dat het boek leest als een trein. Althans: ik lees
het als een trein, maar dat komt ook doordat ik de religieuze gevoelswereld
ervan ken en daarin geïnteresseerd ben. Maar geldt dit ook voor
Bezige Bij-lezers? Ik vrees dat zij weinig zullen snappen van de waarachtige
gedrevenheid waarmee Siebelink in liefdevol protest de geestelijke wereld
van zijn vader toont.
|