|
|
![]() |
| Weblog | Proza | Poëzie | Columns | Audio | Zoeken |
|
Je wacht op de vormInterview met Daniël van den BosChroom Digitaal Proza, september 2000 door Bert van Weenen "Maar reeds vat mijn begeleider mij bij de arm en voert mij linksaf de hoge schemerige gang in. De vloertegels zijn nog steeds dezelfde: zwart en wit. En als je erover loopt, hoor je zo'n tjomp tjomp-geluid. Er valt licht naar binnen door de ramen van de lokalen en door de openslaande deuren aan het eind van de gang. Langs de wanden zijn de kapstokken. In een reflex maak ik een rukbeweging onder haakje 94, de plaats van Nico's jas, zodat het lusje scheurt. En ik zie die jas zo echt op de grond liggen dat ik me moet bedwingen om 'm niet op te rapen. Dat heb ik eens een hele maand elke dag gedaan en iedere keer was het lusje er door z'n moeder weer aangezet. Het was een donkerblauwe regenjas of een groene winterjas met grote houten knopen, een houtje-touwtje jas met capuchon. En als het koud was, had hij er van die wanstaltige grote wanten inzitten, van die dikke blauwe zelfgebreide. Die dingen heeft hij heel vaak moeten zoeken. Een leuk spel was het overgooien van die wanten, terwijl hij dan tussen ons in opsprong om ze te pakken te krijgen. We gingen meestal door tot hij begon te huilen. Ik denk aan mijn droom en hoor weer hoe hij huilt en voel weer hoe ik val." (fragment uit 'De binding', p.36) Naar aanleiding van zijn debuutroman 'De binding' sprak ik op vrijdag 16 juni in Ede met Daniël van den Bos. Wij ontmoetten elkaar in zijn kamer op de Christelijke Hogeschool Ede, waar wij allebei werken, hij als docent rechten en ik als webcoördinator. In een geanimeerd gesprek vertelde Van den Bos (1952) over zijn eerste boek en zijn plaats in christelijk Nederland. "Ik ben geboren en opgegroeid in Arnhem. Daar is het schrijven ook begonnen, toen ik nog op het Christelijk Lyceum zat. Dagboeken en korte verhalen, waarvan gelukkig niks gepubliceerd is. Maar het was wel een goede oefening natuurlijk." "In 1970 ging ik rechten studeren in Utrecht. Mijn ouders stonden een degelijke christelijke gereformeerde opvoeding voor en wilden mij niet zomaar naar Utrecht laten gaan. Pas toen ik verloofd was en geloofsbelijdenis had gedaan, in 1973, mocht ik op kamers." De gelovige als acteur"Mede door invloed van Youth for Christ ontdekte ik toen, dat God niet alleen voor mensen kiest maar dat mensen ook worden opgeroepen om voor God te kiezen. Wat dat betreft vind ik het idee van de uitverkiezing te eenzijdig. Deze eye-opener is voor mijn leven heel beslissend geweest. Een mens is niet alleen toeschouwer in zijn eigen leven maar evengoed acteur." "Wel is het zo, dat ik de liefde voor de Schrift, zoals ik die ken vanuit de Christelijke Gereformeerde Kerk, bewaar. Mijn kennis van de Bijbel in de Statenvertaling is heel belangrijk. Deze 'klassieke' opvoeding stempelt mijn taalgebruik behoorlijk." "Tijdens mijn rechtenstudie heb ik niet zo veel geschreven. Mijn scriptie ging over de persoon van de moordenaar en heette 'De moordenaar en wij'. Het was een onderzoek naar het beeld dat wij van zo iemand hebben. Wie is dat nou die een moord pleegt? Ik ontdekte toen dat een moordenaar net zo'n mens is als jij en ik. Een voorspelbare uitkomst misschien, maar toch." "In die periode heb ik ook gevangenispastoraat gedaan. Mijn hoofdvak was strafrecht, samen met kinderrecht. Tijdens gesprekken met zware criminelen kwam ik erachter dat zij ook gewone mensen waren." De God van Israël"Na mijn rechtenstudie koos ik voor alternatieve dienstplicht. Ik ben toen samen met mijn vrouw, net na ons trouwen, gaan werken in Nes Ammim, dat toen gold als een ontwikkelingsproject. Daar zijn toen, zou je kunnen zeggen, alle vensters van mijn woning opengestoten. Mijn beperkte, normatieve idee van de kerk veranderde daar totaal. Het oordelende aspect van het geloof raakte ik daar kwijt. Maar de liefde voor de Schrift bleef. In Nes Ammim leefden we in een kerkelijke oecumene en kwamen we bovendien elke dag in aanraking met een ander geloof, namelijk het jodendom." "De toepassing van de tekst 'Niemand komt tot de Vader dan door Mij' wordt minder makkelijk als je in aanraking komt met mensen die nee zeggen tegen Jezus. Zeker als die mensen dan ook nog een Auschwitz-nummer op de arm hebben en zij je uitgebreid vertellen dat zij daar hun geloof verloren hebben of dat zij dankzij Psalm 23 overleefd hebben. Maar hoe zat het dan wel?" "De joodse elementen in mijn roman heb ik er niet uit een soort modieuze houding ingestopt. Ik kan me niet voorstellen, dat ik een boek zou schrijven waarin het joodse geloof ontbreekt. Ook de vorm herinnert daaraan, denk bijvoorbeeld aan de zes dagen. De beginzinnen van de hoofdstukken verwijzen naar de beginzinnen van de eerste zes boeken van de Bijbel, uit het Hebreeuws vertaald. Aandachtige lezers zullen dat meteen oppikken. En het joodse verhaal over de zesendertig rechtvaardigen waarop de wereld rust heb ik gebruikt bij de indeling van het boek. Paragraaf 36 in het boek heet niet bij toeval 'De rechtvaardige'! Voor er een letter op papier stond, had ik de indeling van zes keer zes paragrafen al in mijn hoofd." Symboliek"Ik ben niet zo ver gegaan als de getalssymboliek van de Kabbalah, maar bijvoorbeeld Genesis 22 speelt wel een centrale rol in de roman. De joden kennen het als 'De binding van Izaäk'. Wij noemen dit verhaal 'Het offer van Abraham'. Zo ontstond ook de titel van mijn boek. Daarom laat ik Paul in het boek al gauw de cd 'Genesis' van Genesis opzetten en vervolgens moet hij op zijn computer het wachtwoord G2210 intypen. Een bijbels opgevoede lezer zal als hij dit leest, vermoed ik, meteen naar de Schrift grijpen, en dan zit hij midden in het binding-verhaal. De binding slaat op het vastbinden van Izaäk op het altaar. Ik weet niet of het in het Hebreeuws tevens de betekenis 'band' heeft, dat zou ik nog even moeten opzoeken." "Sinds mijn jaren in Israël probeer ik steeds, in verband met een preek of een bijbelstudie, te kijken: wat staat er nu precies in het Hebreeuws. En ik zoek ook op wat rabbijnen erover zeggen. In 'De binding' staat daarom een preek van een rabbijn. Vandaar de ontmoeting, helemaal in het begin, tussen Paul en de rabbijn in het vliegtuig. Ik had paragraaf 22 toen al klaar, maar moest nog iets bedenken om die preek te laten overhandigen. Zo ging dat in z'n werk." "Een roman moet natuurlijk in de eerste plaats goed te lezen zijn. Ook al zouden lezers een paar van mijn puzzeltjes hebben gemist, het boek zelf moet voor honderd procent overeind staan. Maar het is net als met het lezen van een bijbelverhaal: elke keer tref je er weer iets nieuws in aan. Dan denk je: hoe is dat mogelijk? Op die manier heb ik ook allerlei dingen in mijn boek gestopt voor mensen die het voor een tweede of derde keer lezen. Dat vind ik leuk. Eenzelfde ervaring heb ik bij het lezen van 'De ontdekking van de hemel' van Harry Mulisch, dat ik nu voor de derde keer aan het lezen ben. Je ontdekt er toch weer lagen in die je eerder niet hebt gezien. Een prachtig boek!" De Bijbel centraal"In Taizé spreekt mij de stilte aan. Er wordt niet gepreekt in Taizé. Als er gepreekt wordt, scheiden de geesten zich. Je zit er met je volle verstand bij en bent het met de exegese eens of niet eens. Alles draait dan om je kritisch vermogen. Dat is heel wat anders dan de lezing van de Schrift, wat wél gebeurt in Taizé. Het Woord van God is voldoende, daar hoeven wij eigenlijk niks aan toe te voegen. Luister naar de Bijbel en word dan tien minuten stil. In onze gereformeerde wereld wordt dat al snel getypeerd als luiheid, maar dat is het niet. In die stilte ben je ook vrij om die tekst zelf toe te passen. In de liturgie vind ik de ontmoeting met God centraal staan en dat moeten we niet vertroebelen voor elkaar. Bijbelstudie kun je in het leerhuis doen, met elkaar, dat moet je niet aan de predikant alleen overlaten. Samen leren, daar gaat het om. Net als bij Nico en Paul in 'De binding' eigenlijk, die maken ook samen een leerproces door." Therapeutisch boek voor lezers"Naar aanleiding van de reacties die ik ontving, zou ik 'De binding' een therapeutische roman willen noemen. Niet voor mijzelf, maar voor anderen. 99 procent van de mensen komt op mij af en vertelt, soms tot tranen geroerd, dat ze zich herkennen in wat Nico in het boek overkomt. Daarbij kan het ook om parallelle situaties gaan, niet iedereen hoeft zelf gepest te zijn. Dit effect heb ik vantevoren niet eens zo beseft, moet ik eerlijk zeggen. Ik dacht juist dat ik het verhaal heel terughoudend beschreven had. Een enkeling die met mij meelas, zei juist: dat moet je veel meer uitbouwen, laat er maar wat bloed uit spatten. Maar daar ben ik de persoon niet naar, om het zo op te schrijven." "Maar aan de andere kant heb ik het zaakje ook heel technisch opgebouwd. Ik heb kris-kras geschreven. Ik ben begonnen met paragraaf 22, en met paragraaf 36, het slot over de rechtvaardige. Net een gevoel alsof ik aan het puzzelen was. Stukken rangschikken en weer herschikken. Daardoor zit er wel wat kunstmatigs in, natuurlijk, want als je zes keer zes paragrafen nodig hebt, dan moet je soms een paragraaf splitsen om aan dat aantal te komen." "Het zijn niet mijn belevenissen die ik in het boek vertel. Ik heb uit allerlei gebeurtenissen de kern genomen en die verwerkt in de scènes van het verhaal. Het zijn geen dia's uit mijn geheugen. Maar ik denk wel dat al die dingen tot op de dag van vandaag zo gebeuren. Maar aan de andere kant komen er natuurlijk ook engelen voor in het boek. Hoe realistisch is dat?" "Ik heb drie doelen gehad met dit boek. Ik wilde in de eerste plaats mensen die gepest worden bemoedigen, dat was mijn doelgroep. Maar daarnaast wilde ik ze uitdagen en dat geldt voor ons allemaal om bepaalde dingen te verwerken, binnen je eigen creatieve mogelijkheden. En in de laatste plaats is dit boek ook heel kritisch over het strafrecht. Het strafrecht in Nederland lost niks op, is mijn opvatting. Het vergroot de problemen alleen maar. Het strafproces dient uitsluitend om alles weg te werken, er wordt geen moeite gedaan om ook de dader van zijn lijden af te helpen. Want ook de dader lijdt." Wachten op de vorm"De magisch-realistisch vorm, zoals dat zo mooi heet, heb ik niet uit het jodendom. Het was toch een vorm van 'inspiratie'. De thematiek speelde al een poosje door mijn hoofd. Ik zag allerlei deelstukjes: ervaringen van mijzelf, van kinderen, van studenten, dingen die ik gelezen had. Het begint allemaal door elkaar te malen maar op een gegeven moment komt er structuur in." "Alle ideeën die ik krijg werk ik uit, zover als ik kan. Het leuke van een tekstverwerker op de computer is dat je al die fragmenten vervolgens netjes in mapjes kunt opbergen. Op een bepaald moment denk je dan: dat zit wel goed, als ik het nodig heb weet ik het te vinden. Mijn boek is dus eigenlijk niet voor niks bij 'Mozaïek' uitgegeven!" "Maar schrijven is ook vooral wachten. Je kunt van alles aan het papier toevertrouwen, maar dan ben je nog niet echt aan het schrijven. Je wacht op de vorm. Eind september 1998 was ik in het klooster, de Egmondse Abdij waar ik twee keer per jaar naartoe ga iets wat ik iedereen die creatief bezig wil zijn trouwens kan aanbevelen. En daar zag ik het ineens: de hoofdpersoon wordt ontvoerd en er volgt een tribunaal op de school dat zes dagen duurt. Daarna heb ik alshetware vijf maanden lang op een surfplank door de golven gesurft. Zorgen dat je niet van die plank afgaat en toch vooruitgaat. Een tomeloze toestand, ik had echt zoiets als: zwemmen of verzuipen. Iets wat ik nog nooit eerder had meegemaakt." "Het eerste concept was na vijf maanden klaar, maar dat zag er nog heel beroerd uit. Dus daar ging onmiddellijk een tweede verflaag overheen, je gaat aan het schuren, lakken, toevoegen, enzovoorts. En dan komt toch de wens naar boven om het uitgegeven te krijgen. Maar als je dan hoort hoeveel manuscripten uitgevers per jaar aangeboden krijgen, slaat je de schrik om het hart. Het aantal debuten per jaar is verhoudingsgewijs minimaal. Zo'n uitgever krijgt een envelop waarop staat 'Van den Bos' en denkt: die ken ik niet, weg! Vervolgens een met 'Mulisch': ho, wacht even! Ik had het gevoel dat het geen enkele zin had om iets op te sturen. Ik dacht: dit gaat dus niks worden." "Een collega van mij heeft mij toen via zijn vrouw die bij Meinema werkt, in contact gebracht met Boekencentrum. Die uitgever had, zo bleek, sinds enige tijd een eigen fondsje voor literatuur: Mozaïek. Uitgever Arjen van Trigt wilde het meteen uitgeven. Ik ben bij het persklaar maken toen wel begeleid door een ervaren auteur, Ronald Westerbeek, van wie ik nog nooit had gehoord. Die liet van het manuscript geen spaan heel. Daar ben ik wel twee weken van knock-out geweest. Niet dat ik erdoor in een depressie raakte, maar ik val op zo'n moment wel stil. Ik word apathisch. Vervolgens heb ik het verhaal pagina voor pagina opnieuw bekeken. Uiteindelijk heb ik veel minder geschrapt dan Ronald wilde. Wat dat betreft ben ik heel eigenwijs. Ronalds optiek is ook heel anders dan de mijne." "Ik heb me bij het schrijven van 'De binding' beperkt tot een persoon, er is eigenlijk maar een camera op de set. We zien alles door de ogen van Paul. Daardoor blijft Nico buiten schot. Dat wil ik bij mijn volgende boek niet meer doen. Ik denk nu na over een boek over de dood. Het zou moeten gaan over verschillende generaties, eenzelfde thema eigenlijk als in de boeken van Chaim Potok. Maar waar dat precies naartoe zal gaan, weet ik nog niet. Afwachten dus maar." |
|
Mozaïek, Zoetermeer 2000, ISBN 90-239-9023-4 Meer informatie op deze website: Overige bronnen:
AD = Algemeen Dagblad Ontbreekt er een recensie? Stuur een e-mail aan de redactie. |
|
|
|
Chroom Digitaal: online vraagbaak voor religieuze en christelijke literatuur |