|
|
![]() |
| Weblog | Proza | Poëzie | Columns | Audio | Zoeken |
|
Hoofdstuk 16Uit 'Het echte leven is nu' (2004), blz. 82-83
'Wat een vervloekte sentimentele boel,' zei ik boos, maar nog net zacht genoeg dat mijn vader en moeder de precieze woorden niet konden verstaan. Nu had men vanuit de kerkenraad ook al aanmerkingen op die paar keer dat ik op zondagmiddag niet naar de kerk was geweest maar rondgezworven had door het park. Ik kon God daar toch ook zoeken? Toch ook tot Hem roepen onder de blauwe zondoorschenen hemel? Waarom geloofde niemand mij als ik zei dat dat voor mij ten diepste geen enkel verschil maakte? Maar mijn heftige verdedigingsrede, mijn pleidooi voor een vrijer en opener geloof, het leidde alleen maar tot een verbitterd zwijgen bij mijn vader en vrijwel tegelijkertijd wilde huilbuien bij mijn moeder. Hoe kon ik hen dit aandoen! Bij het eerstvolgende huisbezoek zit ik boven op mijn kamer, terwijl beneden de twee afgezanten van de kerkenraad steeds harder beginnen te praten. Ik heb het bange vermoeden dat ze het over mij hebben, over de ketter in de gemeente, over de slang die zich zo listig heeft verstopt in het paradijs tot hij zijn kans schoon zal zien om twee onschuldige mensen te verleiden tot de dood. Een slang wiens kop vermorzeld moet worden. Ik zit in het donker. De enige lichtbronnen in mijn slaapkamer zijn een leeslampje en het door het water gefilterde licht van het aquarium. Zo nu en dan verandert de schaduw van een visje op de gordijnen in een spookachtige gestalte. De ouderlingen vertrekken en het wordt stil in huis. De groene fluorescerende wijzers van mijn horloge geven kwart over elf aan. Ik ruik aan het bandje van mijn horloge, herken de bedwelmende geur van leer en huid, en bijt in de muis van mijn hand, tot bloedens toe. Het begint te regenen, eerst zachtjes, nauwelijks hoorbaar, en dan steeds harder. Druppels tikken hatelijk tegen het raam en op het dak. Het dak dat nooit lekt, het dak boven mijn hoofd. Ik lig op mijn rug op bed en een lichte misselijkheid vormt zich in mijn buik. Half in slaap bid ik om een andere vader en moeder, om een nieuw leven, om uitredding uit de nood. Als ik slik, voel ik pijn in mijn keel. De regen is inmiddels overgegaan in een razende storm, die de ruiten doet trillen in hun sponningen. |
|
|
|
|
|
Chroom Digitaal: online vraagbaak voor religieuze en christelijke literatuur |