Weblog | Proza | Poëzie | Columns | Audio | Zoeken

 

Zondagavondmijmering

Chroom Digitaal Proza, augustus 2001

door Bert van Weenen

Nu zelfs de grond gaat glanzen, verwarrend licht
langs velden trekt, ja, alles vloeit, zegt hij,
is er geen bindmiddel dat het houdt in dit gericht.

L.F. ROSEN, 'Familiebanden'

Als ik Leerdam uitloop, via de Koningin Emmalaan naar het oosten, kom ik vanzelf op de plek waar de wereld ophoudt. Vanaf de dijk die de stad beschermt tegen een eventuele stormvloed uit de Culemborgerwaard, kijk ik uit over vrijwel lege akkers en velden. Een paar afgedwaalde koeien lopen er, meer niet. Verderweg, bijna buiten mijn blikveld, liggen de boerderijen van het dorpje Acquoy. Vanaf mijn positie bekeken lijkt het net of een groot deel van het dorp over de rand is gevallen, in de diepe duisternis van het heelal, en dat beklemtoont alleen maar het feit dat dit paradijs waar ik ooit opgroeide niet meer bestaat. Het is verzwolgen door de tijd en zelfs in de hoofden van hen die er hun jonge jaren doorbrachten niet meer dan een vage vlek, een zwaar beschadigde videofilm. Acquoy, zoals ik het vroeger als kind kende, bestaat niet meer, en elk nostalgisch streven om het op een of andere manier weer tot leven te brengen is gedoemd te mislukken. De rekwisieten staan er nog maar de sfeer is weg en krijg je niet meer terug. Je zult op den duur moeten accepteren dat je jeugd voorbij is en niet meer te achterhalen. De bittere pil moeten slikken dat je er steeds meer van verliest en uiteindelijk niks van overhoudt.

*

Zal aan het einde der tijden, zoals Hans Werkman zo treffend verwoordde in zijn gedicht 'Groninger Hogeland', het paradijs in z'n oude glorie hersteld worden? Een hemels mooi Acquoy à la een vernieuwd Uithuizermeeden? Niemand weet hoe het zal gaan. De mens snakt naar de verlossing maar weet niet wanneer die komt. Als ik op mijn fiets het niemandsland inrijd, voel ik tussen de groene weilanden en de blauwe hemel het heilige ontzag dat aan Zijn Wederkomst voorafgaat. Hij is aanwezig, maar wij zien Hem slechts van verre, verborgen in een wolk, omhuld door magnesiumwit vuur. Afgestapt op het geasfalteerde fietspad, voel ik me net Adam op zijn eerste dag in de Hof van Eden, verbaasd om zich heen kijkend naar wat zijn Schepper allemaal nog meer tot leven heeft gebracht. Of moet ik zeggen: Henoch, op zijn laatste wandeling die rechtstreeks leidde tot een eeuwig verblijf aan Gods Voeten? Ben ik de eerste mens of de laatste, op zo'n moment? Wat doet het ertoe als de relatie met mijn Maker maar in orde is en ik, na een kort of lang leven hier op aarde, in dit groene tranendal, zal terugkeren naar de onvoorstelbare Geborgenheid van Zijn Armen. Er is geen eindtijd, vanuit dit perspectief gezien. Alles is eeuwig en aan God verwant voor wie in Hem gelooft.

*

Twee verhalen heb ik geschreven, herschreven, ingekort, omgewerkt, gestroomlijnd en uiteindelijk vernietigd: 'Buiten kijf', over de worsteling van mijn vader met het orthodoxe geloof, en 'Engelen in oktober', over de maandenlange crisis rond de geboorte van onze dochter. Maar uit mijn hoofd verdwenen zijn ze niet. Elk moment kunnen er weer fragmenten uit bovenkomen en me op een vervelende manier onrustig maken, alsof ik onbewust met iets bezig ben dat nog af moet voor mijn tijd hier op is, alsof het een soort goddelijke opdracht is, een roeping, die mijn ziel ertoe dwingt zich tussen alle bedrijven door toch continu met deze zaken bezig te houden. Ik zou niet weten wat ik anders moest doen om van deze onrust af te komen dan die verhalen dan toch maar uit te typen en persklaar te maken, maar mijn wil verzet zich daartegen omdat ze te pijnlijk zijn om in het daglicht te worden vertoond. In de schemer van een zondagavond, ja, daar kan ik hun scènes enigszins verdragen. In het koele, ontnuchterende licht van een maandagmorgen zou ik er regelrecht gek van worden. Dat is de status van mijn schrijverschap: ik beperk me tot de weergave van de randgebieden omdat de kern van mijn leven te intens is en me zou verschroeien en verteren als een immens hels vuur. Dat zou pas echt een apokalyps veroorzaken. Maar dan een die mij als een Nietzsche leeg en uitgebrand zou achterlaten op deze wereld.

*

Onze geiten, die we hadden ondergebracht op een volkstuinen-complex, plachten zich te goed te doen aan de bloemen op het nabijgelegen roomskatholieke kerkhof. Frivool sprongen ze als wij even niet opletten of naar huis waren over de sloot en stiefelden af op de verse bossen groen die treurende roomse weduwen hadden achtergelaten op de graven van hun overleden echtgenoten. En aangezien er daar geen vaste beheerder rondliep, konden ze vrij hun gang gaan. "De dood is toch geen feest," mompelde mijn vader altijd als hij een in het zwart gekleed vrouwtje met een kleurige bos bloemen over het kerkhof zag schuifelen. Maar hij kon het toch ook niet over z'n hart verkrijgen om die "godslasterlijke" bloemenweelde dan maar door onze geiten te laten vernielen. Het sociale overwon voor deze ene keer het religieuze. Maar hoe hoog we het hek ook maakten langs de sloot die het geitenweitje scheidde van het kerkhof, altijd wisten die slimmerikken wel ergens een opening te maken om te ontsnappen. Op een keer zagen mijn vader en ik ze zelfs parmantig over de rijweg kuieren, waar ze alleen konden komen door over een andere, veel bredere sloot te springen. Het kostte ons de grootste moeite om hun opmars naar de paapse dodenakker te verijdelen en we zetten toen bij die andere sloot ook maar een hek. De hele geschiedenis sterkte mijn vader evenwel in zijn oordeel dat bloemen op een kerkhof niet thuishoorden. Calvinistische eenvoud was hem in het hart gegrift. Uitbundigheid kende hij in zijn geloofsleven niet. En als er al sprake zou zijn geweest van een openbaring van Gods kant, van een Ingrijpen des HEEREN waar de gelovigen zich twee keer op een zondag in een urenlange kerkdienst voor openstelden, dan was daar waarschijnlijk niks van naar buiten gekomen, uit vrees voor hoogmoedig te worden aangezien. Een nietswaardig mens was hij, een vader die goed voor zijn kinderen zorgde maar geestelijk niets te vertellen had. De eindtijd, die naar zijn stellige overtuiging elk ogenblik kon aanbreken, had voor hem uitsluitend het karakter van een vernietigend oordeel. Gods Wederkomst was wel de ergste angst die hem kwelde. Want hoe zou hij, arm verdoemd mens, in Zijn Gericht kunnen bestaan?

*

De tijd is net een harmonica: je kunt 'm inelkaardrukken en je kunt 'm uitrekken maar hij brengt altijd dezelfde droevige muziek voort.

*

Als dit verhaal verschijnt[1], zal het twintig jaar geleden zijn dat ik debuteerde met een apokalyptisch gedicht in het RPF-tijdschrift Nieuw Nederland. Zal de door de mens ontwikkelde techniek van atoomwapens en computers een einde maken aan deze wereld, was de prangende vraag die ik als jongeman in dit vers verwoordde. Ik leefde toen op de grens van de tijd, er vast van overtuigd dat Jezus' schrikbarende terugkeer niet lang meer op zich zou laten wachten. Het Gericht was aanstaande! Misschien dat ik uit onrust over de afloop van dat wereldwijde oordeel, dat uiteraard ook mij zou treffen, me toentertijd met politiek inliet, in de hoop nog iets van de aarde te redden en in elk geval Armageddon een paar decennia uit te stellen. Want dat het mensenras zichzelf zou vernietigen, dat stond voor mij vast. En zou het niet zijn door Gods Ultieme Wraak, dan toch wel door eigen domheid. Een mensenleven is als gras, merkte een bijbelschrijver ooit op, en die waarheid wordt elke dag dat mijn leven zich verlengt, evidenter en gewoner. Op den duur valt de mythologische eindtijd samen met je eigen onafwendbare vertrek uit deze wereld en maak je in je geest alle taferelen door die Johannes zo indringend heeft beschreven in zijn mysterieuze Boek der Openbaringen. Met veel spektakel breekt het laatste uur aan, het moment waarop zal moeten blijken of je fragiele geloof bestand is tegen de redeloze, nog eenmaal opvlammende agitaties uit de hel.

Leerdam, 8 augustus 1998

 


[1] 'Zondagavondmijmering' werd geschreven voor de millennium-bundel van de auteursvereniging Schrijvenderwijs, die in het najaar van 1999 zou worden gepubliceerd. Helaas is die bundel nooit verschenen.


Terug naar boven

 

 

 

Chroom Digitaal: online vraagbaak voor religieuze en christelijke literatuur