|
|
![]() |
| Weblog | Proza | Poëzie | Columns | Audio | Zoeken |
|
Op de drempel van de lenteOver 'Niet te geloven' (2002) van Nel VeermanChroom Digitaal Poëzie, april 2002 door Alfred Valstar
Toen Nel Veerman onlangs op hoge leeftijd overleed, hoorde ik tijdens de begrafenis dat er nog een bundel zou komen. Ze had gehoopt het uitkomen ervan nog mee te kunnen maken, maar het ging anders. In februari overleed zij. Nu, twee maanden later, is de bundel 'Niet te geloven' verschenen. Naarmate zij ouder werd leek Nel Veerman steeds productiever te worden. In 1999 verscheen 'Naschrift', in 2000 'Grensgebied' en nu dus, in 2002, postuum 'Niet te geloven'. De titel 'Niet te geloven' doet wat zakelijk aan, anders dan de twee voorgaande titels, die op het eerste gehoor wat meer mysterie in zich lijken te dragen. Voor de gedichten maakt het niet veel uit. Samen vormen de drie bundels een soort drieluik. Een drieluik waarin het bezig zijn met de dood een terugkerend, zij het niet overheersend, thema vormt. In haar laatste werk gaan leven en dood samen op en in elkaar over. In dit scheppingsproces werd haar geloofsbewustzijn steeds manifester. De vragen werden net als de antwoorden steeds nadrukkelijker. Dit verklaart ook de titel 'Niet te geloven', een titel die je op twee manieren uit kunt spreken. Voor Nel Veerman is het duidelijk: er is een "rijk van niet te doven licht" en dat verwachtte ze toen ze schreef. Voor haar is het te geloven. Onder de gedichten in 'Niet te geloven' zijn er een aantal die tegen de zogenaamde "getuigenispoëzie" aanleunen, vooral achter in de bundel. Toch was Nel Veerman niet bepaald een aanhangster van deze stroming, ze vond het meestal te gemakkelijk en clichématig. Wanneer zij dus "getuigt", gaat het bij haar echt om persoonlijke geloofsbeleving en niet om eenvoudig te reproduceren stijlprentjes. De gedichten waar ik op doel zijn aan het eind van de bundel te vinden. Alle thema's die Nel Veerman bezig hielden komen ook in deze bundel terug: de natuur (ook de verstoorde), het geloof en de dood. Opvallend is het aan thema lente (verwant aan natuur), dat in opduikt in 'Maartse bomen' (blz. 3):
Maar ook in 'De Dinkel' (blz. 7):
De lente komt, dat is zeker, al is de natuur door mensen verstoord (zie ook blz. 6). In 'Vergezicht' (blz. 7) lijkt de Dinkel nog verder te stromen, al heet hij daar 'IJssel':
In 'De wind en het blad' (blz. 25) is het eerst nog herfst:
Zo wordt de dood omschreven, net als in 'Op de drempel' (zie boven), waarin de woorden eigen en onmiskenbaar zijn. Maar de dood is subtieler aanwezig in het drieluikje 'Verstoord landschap' (blz. 6), het natuurlandschap zucht, het is:
Dood en verval zijn aanwezig in de natuur en vaak door menselijk toedoen. Als je dat ziet dan wordt een mens niet vrolijk. Het tegenwicht ligt bij Nel Veerman in haar geloof. In 'Leken - gedicht' (blz. 38) ontmoeten we Nel Veerman zoals ze was. Eenvoud en verstand gaan in dit gedicht prima samen. Tijden van godsverduistering schildert de dichteres ons:
Mensen schrijven wat af. Ook haar eigen geschrijf acht Nel Veerman betrekkelijk, ze gaat verder:
Zo hebben de lente en het licht van God in deze bundel het laatste woord.
|
|
Merweboek, Sliedrecht 2002, ISBN 90-5787-043-6 Meer informatie op deze website: Externe links:
Overige bronnen:
AD = Algemeen Dagblad |
|
|
|
Chroom Digitaal: online vraagbaak voor religieuze en christelijke literatuur |