logo kerstgedichten
   Weblog | Proza | Poëzie | Columns | Audio | Zoeken

 

Lichtweg

door Hein Walter

 

1

Ik was een meisje zoals meisjes zijn:
haren kammend, vlechtend, wegdromend
aan water en lachend om kleine
dingen; grote hoefden niet te komen.

Ik was niet mooi, ik had niet de fijne
trekken van een Joodse; ik was gewoon.
En zoals het ging, ook mijn
toekomst was bepaald, ik was beloofd.

 

2

Ik droomde op een nacht een kind:
een jongen met een hart zo zuiver
als licht en met ogen die verblindend
scherp door me heen keken. Ik huiverde

toen hij zag dat ook in mij het kwaad
te slapen lag. Hij bevrijdde me ervan
door zijn handen te laten rusten op mijn gelaat;
ze waren als stralen zon die doen verdampen.

 

3

We waren slapend wakker bij het vuur
dat hij was en zagen niet dat er rook
kwam van verkeerde kanten: zuur
geworden mensen vol haat waren er ook.

Op een geweten nacht werd mijn kind
door hen overmeesterd en verminkt. Hij leed
omdat het goede geen kwaad kan.
Ik bestierf in mijn slaap en baadde in het zweet.

 

4

Verder in mijn leven terug zouden
we gelukkig zijn en niet meer weten
welk lot het onze was. We vertrouwden
op God en op elkaar. Even waren we vergeten.

Dagen werden als mensen geboren, bloeiden
op en werden oud tot ze in iets verdwenen.
Wij waren jong: we werkten en groeiden
in sterkte, we aten en sliepen, zo was ons leven.

 

5

Een koning kwam kwaadaardig uit
niets: waanzin woonde in zijn ogen
en macht was zijn bruid. In zijn hoofd
stond kindermoord geschreven.

Kindermoord om die ene te doden
die koning van Joden zou heten.
Van angst verkankerde koning Herodes
die die koning van Joden zou haten.

 

6

Er trok een karavaan door een woestijn
van vrede, langs argwaan en kift,
op zoek naar iets nieuws dat moest zijn.
Licht was de gids.

Het waren wijzen die reisden naar het westen
om een ster zo helder als een pas
geboren kind. De ster zou niet rusten
voordat het nieuwe gevonden was.

 

7

Ze vonden ons in een stal waar de geur
van lammerslacht nog hing. Ze vielen
op hun knieën om een kind dat voer
leek in een voerbak: vlees en bloed voor mensen.

Ze zagen wat te zien was in de ogen
van mijn kind: het nieuwe, het oude, het grote.
Ze waren gelukkig als kinderen. En de vragen
die ze hadden waren ze op slag vergeten.

 

8

In mijn droom was ons huis een stal;
we waren de minsten onder de mensen:
we sliepen bij de os die er stond
en aten oud brood. Ik kende

het verhaal van de eersten en laatsten.
Wij waren de laatsten; we waren oud vuil
en werden gemeden als melaatsen.
De eersten hadden geen benul.

 

9

Herders waren in de buurt,
herders van goede lammeren.
Ze hadden gevoeld dat er een hart-
verscheurend kind geboren was. Met klamme

handen kwamen ze dichterbij. Schuchter
stonden ze in de staldeuropening stil
en keken naar binnen. Ze durfden
niet verder. De oudste schraapte zijn keel.

 

10

Ze hadden niet veel: een stok
om te steunen; het kleed dat ze droegen
had ze jaren van hoeden gekost.
Het was niet veel wat ze vroegen.

Maar hier, bij dit lichtkind
waren ze schatrijk. Ze zagen wat
niemand ooit zag en wisten
van harte dat het liefde was.

 

11

Ik denk dat ik van te veel liefde
wakker werd, het was groter dan ik kon dragen.
Ik werd overstroomd, ik was een rivier
die verdronk in groot water.

Ik lag snakkend naar adem
in een bed dat met ik moeite herkende.
Alles leek anders: de muren, de ramen,
mijn handen, tot ik mezelf weer had gevonden.

 

12

Ik heb het die dag licht zien worden.
Alsof ik het zelf was, zag ik de olijfboom
veranderen van grijs naar groen. De bergen
leken verzet, ik keek verder dan ooit.

Ik was een meisje zoals meisjes zijn:
zittend bij een raam en wegdromend
in het landschap, kijkend naar kleine
dingen, klaar voor het grote.

 

 

 

Overname van dit gedicht is uitsluitend toegestaan voor niet-commerciële
doeleinden, met als bronvermelding het webadres van deze site:
www.chroom.net/kerstgedichten

 

Chroom Digitaal: online vraagbaak voor religieuze en christelijke literatuur