Weblog | Proza | Poëzie | Columns | Audio | Zoeken

 

Weblog februari 2005

Chroom Digitaal Weblogarchief

door Bert van Weenen & Alfred Valstar

Bloemlezing 'Naam die oplicht in de nacht' (2)
Gerrit Komrij: 'Kost en inwoning'
Letterfestival 2005
Bloemlezing 'Naam die oplicht in de nacht' (1)

 

Is dit PR?

Like the nine billion names of God
Don't bring you any closer
To anyone you can simply set eyes on

Bruce Cockburn, 'One of the Best Ones'

22 februari 2005 | AV - Voor de Bond tegen het vloeken stelde Hans Werkman een bloemlezing samen onder de titel 'Naam die oplicht in de nacht'. Het zijn gedichten die de Naam belichten. De Bond lijkt hiermee voor een ander accent te kiezen. In plaats van louter tegen het misbruik van de Naam gaat het hier om goed gebruik: een soort Benedictus. Een nieuwe actie, die misschien vooral op de aanhangers/leden van de Bond verrassend zal overkomen. Ik ken een paar van die leden. Sommigen hebben – buiten verkiezingstijd – een bord in de tuin met daarop een papegaai. Ze leggen me graag uit waarom ze precies een bord met een naprater hebben geplant. Ze zijn vol eerbied voor God en zijn naam. Dan blijken we het over veel dingen eens te zijn, al groeit er geen bord in mijn tuin. Hoe dan ook, waar we het ook over hebben, nimmer over poëzie. Of het moet al over Nel Benschop gaan, maar daar begin ik zelden over. Martinus Nijhoff, Huub Oosterhuis, Henk Knol? "Nooit van gehoord," zou het klinken. Dat is jammer, maar geen schande. Wie weet worden ze inderdaad verrast door deze bundel en lezen ze "ervan op".

Dan verder over de bundel zelf. Wat eraan opvalt, is dat hij gevuld is met – voornamelijk – goede en bekende gedichten die opnieuw gekoppeld worden, iets dat ze eerder overkomen is. Ze staan wellicht in een "opname toptien". Nu zijn deze gedichten voor de Bond samengebracht, niet speciaal geschreven welteverstaan. Door hun vertrouwdheid zijn ze herkenbaar en redelijk toegankelijk, maar wanneer een lezer reeds een tien- of twintigtal van dergelijke bundels op de plank heeft staan, dan wordt hij getrakteerd op een déjà-vu. Hij of zij vermijde in dat geval de aanschaf. Of "bonders" gretige poëzielezers zijn, waag ik te betwijfelen. Literatuur-verslinders zijn mijn bord-in-de-tuin-kennissen zeker niet.

Verder komen er bij het bezien van Werkmans keuze een paar vragen boven. Ten eerste: waarom hebben alleen respectabele oudgedienden de bundel gehaald? Henk Knol is hier Benjamin. Na een halve eeuw weet een dichter dus waar hij staat. Was deze gelegenheid, ten tweede, geen buitenkans geweest om dichters onder de vijftig uit te nodigen tot het schrijven van (nieuwe) gedichten rond de Naam? Sowieso zou een breder gezelschap beter hebben gewerkt.

Er werd/wordt prachtige poëzie geschreven waarin de Naam oplicht. Maar naar mijn idee moet een bundeling vooral een literaire reden hebben en niet louter dienen als kerstversiering op het lijf van de Bond tegen het vloeken. De Bond doet ongetwijfeld goed werk, maar staat niet echt bekend als werkplaats van literair leven. Er ontstaan misschien zelfs typische (ongewenste) associaties tussen dichters, christelijk geloof, de Bond en wat er aan deze begrippen stereotiep heet te zijn.

Bond tegen het vloeken

 

Komrij over Geerds

15 februari 2005 | BVW - 'Kost en inwoning', zo heet de derde verzameling poëziecolumns van Gerrit Komrij. Ingeklemd tussen Komrijs opmerkingen bij het gedicht 'Suikerbieten' van Rien Vroegindeweij en bij 'Mimesis' van Charles Ducal staat een mooie column over het gedicht 'Asielzoekers' van Koos Geerds. Een kaal sonnet, aldus Komrij, geen weelderig of kunstzinnig speeltje maar een modern gedicht met hoge urgentie. "De kaalheid beslist in dit gedicht. De dichter bakt geen zoete broodjes. Zijn gedicht zou je multitoepasbaar kunnen noemen, maar niet dubbelzinnig. Symbolisch maar geen grabbelton."

Het blijkt niet zo moeilijk om je te identificeren met de ik in Geerds gedicht, want die ikfiguur staat volgens Komrij "voor ons aller ik, voor de opgejaagde, thuisloze en uit het paradijs verdreven twintigste- en eenentwintigste-eeuwer".

Het gedicht van Koos Geerds is meteen aanleiding voor Komrij om het idee van asielzoekers te hekelen, want grenzen zijn goedbeschouwd niet meer dan politieke grenzen. "Wieg en grafkuil kennen geen vergunningen," stelt de voormalige Dichter des Vaderlands in een van zijn vele apodictische uitspraken. Na de exegese (wij zijn allemaal, individu voor individu, asielzoekers in het leven, voortdurend belaagd door de dood) volgt de toepassing (ook u bent een asielzoeker, politicus!).

Bent u geïnteresseerd in het samenspel tussen poëzie en religie? Dan zijn ook Komrijs columns over 'De ark' van L.F. Rosen en over 'Een schuilplaats' van Rob Schouten voor u beslist het lezen waard.

Net als in de twee eerdere, terecht geprezen columnbundels 'In Liefde Bloeyende' (1998) en 'Trou Moet Blycken' (2001) is Komrijs taal ook in 'Kost en inwoning' springlevend. Zoals bijvoorbeeld in de prachtige beschrijving van de eerste indruk die een gedicht op een lezer zou moeten maken. Dat formuleert Gerrit Komrij zo: "Het gedicht kweekt bij eerste lezing genoeg goodwill om je zover te krijgen er eventjes langer naar te turen. Als een gedicht van tevoren al uitstraalt 'ik wil je niet hebben', dan begin je er niet aan. Als een gedicht er meteen al bijligt als een diva die zich te gecompliceerd voor je voelt deins je terug. Raadselachtigheid mag, en hermetisme, en absurde woorddronkenheid – som al het familiezilver en alle uitwassen van de poëzie op – maar de dichter moet de lezer op z'n minst één worteltje voorhouden."

Uitgeverij Bert Bakker

 

Geert Mak op tweede Letterfestival in Doorn

8 februari 2005 | BVW - Wilde u al langer schrijvers als Geert Mak, Sjaak Verboom, Adrian Verbree of Hilbrand Rozema een keer ontmoeten? Kom dan op zaterdag 12 maart naar het Letter-festival in Conferentiecentrum Zonheuvel in Doorn.

Naast ontmoetingen met auteurs biedt het Letterfestival ruim twintig workshops over het werk van bekende christelijke schrijvers (Van der Graft; J.K. van Eerbeek), het schrijven van verhalen of gedichten, enzovoorts. Alles in een royale culturele setting waar ook muziek, beeldende kunst en podiumkunst deel vanuit maken.

Meer informatie over deze feestelijke culturele bijeenkomst kunt u vinden op de speciale actiesite van het Letterfestival 2005 bij het Nederlands Dagblad. U kunt u via die site ook aanmelden.

 

Het gebruik van de godsnaam in gedichten

1 februari 2005 | BVW - Voor de Bond tegen het vloeken stelde Hans Werkman een bloemlezing samen met gedichten waarin de naam van God een centrale plek heeft. Met als extra beperking, zo schrijft Werkman in zijn voorwoord, dat in de geselecteerde gedichten niet alleen het woord "God" maar eveneens het trefwoord "naam" moest voorkomen. Wat een karige oogst opleverde, zodat de bloemlezer ook een aantal verzen opnam die niet helemaal aan het genoemde criterium voldoen.

Als ik de bloemlezing 'Naam die oplicht in de nacht' zou moeten typeren, dan komen er woorden in mij op als: degelijk, traditioneel, voorspelbaar. Zo'n 90% van de bundel bestaat uit bekend werk van bekende dichters. Drie gedichten van Geert Boogaard, drie van Ida Gerhardt, Guido Gezelle (2x), Guillaume van der Graft (3x), Willem de Mérode (3x), 'De soldaat die Jezus kruisigde' van M. Nijhoff, Huub Oosterhuis (2x), Michel van der Plas (3x), Jacqueline van der Waals (1 gedicht plus 1 lied), Jaap Zijlstra (2 gedichten plus 2 liederen). Een weinig verrassende keuze dus.

Alleen de protestverzen van Jan H. de Groot, A. Marja en H.M. van Randwijk vallen op, omdat daarin het gesol met Gods naam ter discussie wordt gesteld. Zo begint Marja's sonnet 'Gebed uit oprecht schuldbesef' heel recht voor zijn raap met:

Ik ken ze Heer, die dierbaar met uw naam
als met de vaderlandse vlag optrekken,
hun eigen vuiligheid ermee bedekken,
en achterbakse, vrome wegen gaan.

Laat de Bond tegen het vloeken van dit vers maar eens een mooie poëziekaart maken, zou ik zeggen.

Opvallend qua stijl zijn de gedichten van Koos Geerds (over de boer die niet vloekt als koe en kalfje voor zijn ogen doodgaan) en Henk Knol (over God die zijn naam in het landschap schrijft met licht). Ik miste de derde dichter uit dit clubje, namelijk Lenze L. Bouwers. Zijn sonnet 'Afscheid' uit de bundel 'Groeiringen' (2002) had er eigenlijk wel tussen moeten staan:

[...]
Alles rijmt en past nu in het bestek.
Noem God bij zijn oorspronkelijke naam.

En daal af. Graf. Neem de weg die snel leidt
naar de wadkant. Het wordt vloed. Vogeltrek
naar de dijk. De ziel weet een open raam.

Henk Knol, die dit jaar vijftig wordt, is trouwens meteen de jongste dichter uit 'Naam die oplicht in de nacht'. Waar zijn de jongeren, zo vroeg ik mij bij het doorbladeren van deze bloemlezing af. Is de naam van onze God inmiddels helemaal uit de Nederlandse poëzie verdwenen?

Liederen staan er ook in Werkmans bloemlezing. Aan de 43 gedichten van 'Naam die oplicht in de nacht' heeft hij er zestien toegevoegd. Vijf van deze liederen zijn afkomstig van de cd met samenzang 'Uw Naam worde geheiligd', een eerdere uitgave van de Bond tegen het vloeken, uit 1993.

Of het gebruik van de naam van God in de hier geselecteerde gedichten & liederen wel of niet "ijdel" is, daarover laat Hans Werkman zich wijselijk niet uit. Verondersteld wordt, dat dit in déze gedichten wel goed zit. Ik herinner me namelijk ook gedichten van auteurs als Louis Ferron, uit de allereerste dikke Komrij, waarin God ook wordt genoemd, maar dan in negatieve zin. Dat soort verzen zijn uit deze bloemlezing vanzelfsprekend geweerd.

Bond tegen het vloeken

 


 

 

 

Chroom Digitaal: online vraagbaak voor religieuze en christelijke literatuur