|
|
![]() |
| Weblog | Proza | Poëzie | Columns | Audio | Zoeken |
|
Brieven van een jonge kunstenaar met sex-appealOver 'Ach, Wim, wat is een vrouw? Brieven aan een jeugdvriend' (2005) van Jan WolkersChroom Digitaal Proza, november 2005 door Bert van Weenen Dit voorjaar was Jan Wolkers opeens weer helemaal terug in de belangstelling
door zijn boekenweekgeschenk 'Zomerhitte'. Meteen kwam zijn uitgever
met het bericht ook brood te zien in de uitgave van dagboeken en brieven
van de inmiddels 80-jarige Wolkers. Als eerste verscheen 'Dagboek 1974' Maar eerst heeft de uitgever ook een begin gemaakt met de brievenboeken van Jan Wolkers. Onder de opvallende titel 'Ach, Wim, wat is een vrouw?' zijn de brieven verzameld die Wolkers in 1946-'49 schreef aan zijn "beste vriend" Wim de Kler, die tijdens de politionele acties gelegerd was in Nederlands-Indië. Het beeld van deze Wim blijft in de brieven vaag: we vernemen iets over de boeken die hij leest, krijgen een paar foto's te zien van Wim als militair en zo nu en dan wordt gerefereerd aan Wims vriendin Gré, met wie Jan nauwelijks contact heeft. In het voorwoord staat te lezen dat De Kler overleden is in 1996. De belangrijkste schakel tussen deze twee vrienden is de tijd die zij samen doorbrachten in de woeste, ongerepte natuur van Poelgeest, genietend van de flora en fauna en van de poëzie van dichters als Bloem, Gorter en A. Roland Holst. Een speciale vermelding verdient hier de link met Gerrit Achterberg. Jan Wolkers' vriend Jan Vermeulen, die later ook zijn boeken zal vormgeven, is tevens de "beste vriend" van de geesteszieke moordenaar Achterberg (zie ook Wolkers' essay 'Mijn stem brandt in mij' uit de verzamelbundel 'De schuimspaan van de tijd'). Verder weet Jan Wolkers uit militaire dienst te blijven door psychiater Carp, die indertijd ook Achterberg behandeld had, een stortvloed aan Achterberg-verzen voor te dragen, waarna de soldaat in spe op psychische gronden wordt afgekeurd. Natuur en kunstIn soepele bewoordingen doet Jan Wolkers in de brieven aan Wim de Kler verslag van zijn belevenissen in de tijd vlak na de Tweede Wereldoorlog. Natuur en kunst zijn daarin de twee hoofdrolspelers. Zeker de helft van het boek bestaat uit beschrijvingen van de natuur vroeger en nu. Bij tijden wordt Wolkers er zelfs lyrisch van: "Want daar ligt het grootste geluk, in de natuur, daar is God soms zo huivrend dicht nabij dat hij in je vaart, dat je zelf God wordt" (mei '46). De uitspraak 'Ach, Wim, wat is een vrouw?' komt uit de brief van 10 januari 1947. Aan de ene kant is Jan Wolkers een meidengek, die in een latere brief zelfs opschept over zijn sex-appeal, maar aan de andere kant begrijpen vrouwen nu eenmaal niks van kunst. En als één ding duidelijk wordt uit deze brieven, dan is het wel Wolkers' onbegrensde geestdrift voor de kunst, die hij in die tijd vooral beleeft als beginnend beeldhouwer aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag en aan de Rijksacademie in Amsterdam. Voor die kunst, die hij net als zijn idool Herman Gorter graag in dienst zou willen stellen van de arbeiders, heeft hij alles over. "Alleen in je werk kun je leven zoals je wilt," schrijft hij op 14 mei 1947. In Wolkers' negatieve visie op dit punt komt evenwel verandering als hij kennis maakt met Maria, een meisje uit Zeeland dat door haar vorige vriend, de dichter Hans Warren, is ingewijd in de wereld van de literatuur en het Zeeuwse natuurschoon. Ze weet soms meer van de flora en fauna dan natuurvorser Wolkers zelf en leert Jan bovendien Engels. Als Maria zwanger blijkt te zijn, trouwen Jan en Maria in 1947 (een zogeheten "moetje", al noemt Wolkers dat in zijn brieven aan Wim de Kler niet zo; aanvankelijk is zijn trots gekrenkt, maar de studietoelage van Maria's ouders, die aandringen op een huwelijk, komt toch wel erg goed uit). Binnen korte tijd krijgen zij twee zoontjes, beschreven in een paar korte passages in de brieven. Maar ondanks zijn liefde voor Maria en zijn eigen nakomelingen blijft de jonge Wolkers een wellustige sater, een libertijn met een groot libido. Kritiek op de kerkHet rebelse verzet tegen de kerk is van begin af aan aanwezig bij Wolkers. "Ik behoor geloof ik tot die mensen die de aarde zo ongelooflijk mooi vinden, dat ze niet in een hemel kunnen geloven," schrijft hij op 18 september 1947. "Lezen doe ik nu niet zo veel meer. Als ik er toe kom lees ik in Multatuli of de Bijbel. Wat mooi hè, dat Hooglied. De Gereformeerden met hun ongezonde moraal, moeten met zo'n verrukkelijk heidens stuk proza toch wel geen raad weten. Ik heb er, in al die jaren dat ik 2x zondags ter kerke moest, nooit een preek over gehoord. Wat tragisch dat de mensen zo dom zijn, dat de sluwen kans gezien hebben uit de bijbel een systeem te halen dat het volk dom houdt." Eerder heeft hij het in verband met het sterven van Voltaire over de "pest" van een strenge godsdienstige opvoeding. In het diepst van je gedachten blijft er een droesem van hangen, waar je in angstige periodes en op je sterfbed veel last van kunt hebben. De romantische Wolkers gaat daar stevig tegenin: "O, als ik sterf, breng me dan onder eiken, leg me neer op mos en bloemen. En niets te horen dan de zang der vogels, of uit een ver open raam waar een bleke vrouw over de ivoren toetsen buigt het eerste pianoconcert van Tsjaikovsky of het thema uit 'de onvoltooide' van Schubert." Dat vlak daarop een erotische passage volgt over "roze getepelde borsten" die de brievenschrijver "haast waanzinnig" maken, past hier wonderwel bij. Levenslust, eerlijkheid, directheid, humor, passie het zijn stuk voor stuk trekjes van Wolkers' karakter die ervoor zorgen dat zijn werk voorlopig nog wel een tijdje in de top-10 van de Nederlandse literatuur zal blijven staan. |
|
De Bezige Bij, Amsterdam 2005, ISBN 90-234-1906-5 Meer informatie op deze website:
Overige bronnen:
AD = Algemeen Dagblad |
|
|
|
Chroom Digitaal: online vraagbaak voor religieuze en christelijke literatuur |