Weblog | Proza | Poëzie | Columns | Audio | Zoeken

 

Wolkers' portret van een voorbije wereld

Over 'Terug naar Oegstgeest' (1965) van Jan Wolkers

Chroom Digitaal Proza, oktober 2000

door Ronald Westerbeek


Voor het Nederlands Dagblad lazen Ronald Westerbeek en Hilbrand Rozema een serie klassieke romans uit de Nederlandse literatuur en schreven voor het vrijdagse boekenkatern korte artikeltjes over hun leeservaringen. Hieronder Ronald Westerbeek over 'Terug naar Oegstgeest' van Jan Wolkers.

Toen ik een jaar of vijf geleden voor het eerst terugging naar Oene, het Veluwse dorp waar ik opgroeide, bleek er vanuit Epe geen lijnbus meer naartoe te rijden, dus begon ik die vijf kilometer te lopen. Al snel werd ik ingehaald door een trekker-met-giertank, met aan het stuur een bonkige jongen die een paar klassen hoger had gezeten op de School met de Bijbel. Hij gaf me een lift, zodat ik – rugzak onder de arm – zittend op het spatbord en in een walm van varkenstront naar Oene reed. Een gepastere manier om het dorp binnen te rijden bestond niet. Het voelde als thuiskomen in de kneuterigheid na een jarenlange wereldreis.

Nu ik hier op een dakterras in Moshi (Tanzania) zit – aan de voet van Afrika's hoogste berg, die ik vier jaar geleden beklom met een oude schoolvriend – en terugdenk aan de mestgeur van mijn jeugd, lijkt het een spannend jongensboek, waarin alles op z'n plek valt en alles een betekenis heeft. Dat we tegen de Sioux-indianen vochten in de houtwal achter de boerderij. Dat we als Huckleberry Finn de wetering afzakten op een zelfgebouwd vlot. Dat we als partizanen het huis van de dorpsagent beslopen en illegaal vuurwerk plaatsten, dat we met een tijdontsteking tot ontploffing brachten. We speelden de verhalen die ik verzon, en 's avonds schreef ik ze in mijn multomap. Natuurlijk moest dit uitlopen op lange reizen door Afrika, het was onvermijdelijk dat de Kilimanjaro beklommen zou worden met een vriend van toen.

Maar misschien is dat niet waar. Misschien had het net zo goed anders kunnen gaan. Zijn het maar lijnen die ik achteraf trek van de ene gebeurtenis naar de andere, om de zin ervan te begrijpen. Toen ik met die giertank terugkeerde in Oene, bleek alles immers aardser en willekeuriger dan ik me dacht te herinneren.

Voorbije wereld

Begin jaren zestig ging Jan Wolkers terug naar zíjn dorp. 'Terug naar Oegstgeest' (1965) is een trefzeker en eerlijk portret van een voorbije wereld. Het is een wereld van kroepketels en korsetten met baleinen, van toverlantaarns en stoomtrams, een wereld waarin het dragen van een korte broek nog getuigt van "wereldgelijkvormigheid". Die wereld is dan – in de jaren dertig en veertig – al hard bezig voorbij te gaan. De deftige delicatessenhandel van zijn vader (op de winkelruit: COMESTIBLES – DELICATESSEN – FIJNE VLEESWAREN, en als je het portiek binnenkwam: KOLONIALE WAREN, dat waren de grote stopflessen met lombok, kroepoek udang en pijpkaneel) is een kort leven beschoren. De zaak verloopt tot een kruidenierswinkel en in de crisisjaren hebben ze zelfs de bastaardsuiker niet meer op voorraad, zodat Jan stiekem naar de concurrent moet rennen als een klant er onverhoopt om vraagt.

Tijdens een van zijn bezoeken aan Oegstgeest ziet hij zijn vader met een boodschappentas naar de Albert Heijn lopen, stijf en een beetje verkrampt. "Ik had hem nooit anders dan door onze eigen winkel zien lopen. Er zat iets vernederends in zoals hij daar rondliep en zijn flessen en potjes voor de winkeljuffrouw neerzette en zijn hand ophield voor het statiegeld."

Aan het eind van het boek droomt hij dat zijn vader voor de winkel op de stoep staat en een soort Perzisch tapijt naar buiten trekt, "als een laatste wanhopige poging om dat verleden, met alles wat hem mislukt was en uit handen gegleden, naar zich toe te halen."

Het onherroepelijke verdwijnen van dingen en van mensen, dat is waar de roman over gaat. De winkel is gesloopt, de tuin van de miljonair waar hij werkte is overwoekerd, het landhuis staat leeg. En het gereformeerde geloof dat zo'n sterke stempel drukte op zijn jeugd, raakte hij al met het komen van de eerste baardstoppels kwijt. Ergens aan het begin van het boek trekt hij een ficus uit de pot, de wortels zijn dor en dood. "De plant heeft nog een poos de schijn kunnen ophouden, maar toen het sap uit de stengels op was, vielen de bladeren af." Zo is het ook met het kleinburgerlijke, gereformeerde milieu, lijkt Wolkers te willen zeggen.

Toch is Wolkers nergens snerend over het geloof van zijn ouders. Waar Maarten 't Hart een karikatuur schetst, blijft Wolkers integer, soms zelfs respectvol. De naam Wolkers is, geloof ik, nog altijd controversieel onder gereformeerden, maar in 'Terug naar Oegstgeest' kan ik – anno 1999 – werkelijk niets aanstootgevends ontdekken. Hij valt het geloof niet aan, hooguit de kleinburgerlijkheid (misschien was het dertig jaar geleden moeilijk voor gereformeerde lezers om dat onderscheid te maken?), en schetst zijn ouders als godvruchtige, hardwerkende mensen. Zijn moeder, die hunkert naar "een beetje welstand, een beetje geluk", zag hun eenvoudige arbeidersgezin graag als "gegoede middenstand". Voor zijn vader tellen die standsverschillen niet. "Voor hem was alleen van belang of wij op de dag des Oordeels eerlijk voor de troon zouden kunnen staan van Hem die zich met het licht bedekt als met een kleed." Wolkers schrijft dat niet ironisch; voor hem was zijn vader een eerlijk en oprecht man.

De schim van de dood

Met het verlies van zijn geloof, is de dood het meest onherroepelijke verdwijnen geworden. De kleine Jan weet zich –na een dreigende profetie van de paranormaal begaafde buurvrouw – achtervolgd door een schim, waarvan hij zich realiseert dat het de dood is, "of erger nog, erger dan de dood. De lege plaats die achterblijft als iets voorgoed weg is, als je het nooit meer zal zien."

Wat hem rest is het leven op aarde, dat hem als kind al weinig optimistisch stemt. Als geen ander weet hij dat de mens tot alle kwaad is geneigd. Zelf is hij een wrokkig, eenzelvig, lastig jochie, dat zo graag het ánders wil, zo graag het goede zou wíllen doen. Hij houdt bijvoorbeeld hartstochtelijk veel van dieren, toch wil er onder zijn hoede nog wel een per ongeluk eentje doodgaan. Op een keer ramt hij in heilige verontwaardiging een jongen op z'n kop, omdat die een nest vogels heeft verzopen. Als die jongen prompt niet meer op school verschijnt en een paar weken later sterft aan hersenvliesontsteking, is Jan doodsbenauwd: híj heeft 'm vermoord!

Ondanks zijn dierenliefde kan hij het niet laten om insecten te martelen. En kwaad dat klein begint, grijpt onvermijdelijk om zich heen. Als de Tweede Wereldoorlog losbreekt, beschrijft Wolkers de feitelijke oorlogsgebeurtenissen slechts zijdelings. Maar hij vertelt wel hoe hij tot zijn eigen verbijstering de proefratten die hij in het laboratorium van het Leidse Ziekenhuis moet verzorgen, gruwelijk begint te folteren. "Toen ik later hoorde van de concentratiekampen en gaskamers, dacht ik, het is mijn schuld, ik ben ermee begonnen."

Betekenis

De verdwijning die de meeste indruk op hem maakt, is die van zijn broer, die in het laatste oorlogsjaar bezwijkt aan difterie. Een halfjaar eerder zijn ze samen nog wezen vissen en ze zagen onder het ijs onder hun voeten een reusachtige paling, met kille fletsblauwe ogen. Ze praatten er met niemand over, omdat ze toch niet zouden worden geloofd. "En nooit heb ik dieper de afwezigheid van mijn broer, voor altijd, gevoeld dan toen, toen ik besefte dat alles wat samen hadden gezien en meegemaakt niet meer bestond. Dat het met hem voorgoed verdwenen was."

In 'Terug naar Oegstgeest' probeert Wolkers om dat verleden, met alles dat hem uit handen is gegleden, naar zich toe te halen. Maar, stelt hij zelf, "misschien is het allemaal niet waar. Misschien had niets een betekenis, had alles net zo goed anders kunnen gaan. Zijn het maar lijnen die ik trek van de ene gebeurtenis naar de andere om de zin ervan te begrijpen."

'Terug naar Oegstgeest' is met recht een literaire klassieker die nog altijd gelezen wordt. Het is bovendien een tijdsdocument, zowel van de vooroorlogse, gereformeerde jaren die het beschrijft, als van de tijd waarin het werd geschreven, de tijd waarin veel mensen het geloof van het jeugd kwijtraakten. Wat overblijft, is het onherroepelijke verdwijnen.


Eerder gepubliceerd in het Nederlands Dagblad

Meulenhoff, Amsterdam 1965


Meer informatie op deze website:

Overige bronnen:

  • Siem Bakker over 'Terug naar Oegstgeest' (Walvaboek, Laren 1993), ISBN 90-6675-543-1

CW = Centraal Weekblad
FD = Friesch Dagblad
RD = Reformatorisch Dagblad
ND = Nederlands Dagblad

Ontbreekt er een recensie? Stuur een e-mail aan de redactie.


Terug naar boven

 

 

 

Chroom Digitaal: online vraagbaak voor religieuze en christelijke literatuur