|
|
![]() |
| Weblog | Proza | Poëzie | Columns | Audio | Zoeken |
|
Een jongensboek voor flinke mannenOver 'De Walgvogel' (1974) van Jan WolkersChroom Digitaal Proza, april 2005 door Wam de Moor Dat een Nederlandse roman in een oplage van vijfenzeventig-duizend exemplaren verschijnt is ongewoon, dus nieuws. Dat daarvan al eenenveertigduizend stuks achteruit zijn gelegd is ook iets bijzonders. Dat het bovendien om Wolkers gaat, de auteur van zo'n seller als 'Turks fruit', bezitter van een tuintje vol maïs, hop en bamboe in het volkstuinencomplex Amstelglorie, bovendien een man die van zichzelf in een interview mag zeggen "die hele seks, dat is met mij gestart, kun je wel zeggen"; het zijn allemaal redenen om op 'De Walgvogel' af te vliegen, net zoals de vijfenzeventigduizend die binnen een week een tweede druk noodzakelijk hebben gemaakt. Je begint dus aan die 432 bladzijden op zaterdagmorgen en legt het boek inclusief wat onderbrekingen zondagavond moe maar voldaan naast je neer. Prettig weekend gehad. Dat is dan hoe je het ook draait of keert meteen een kwaliteit, want met Jan de Hartog of Jacques Hamelink was dat niet gelukt - ik neem nu maar twee uitersten. Maar wát heb je dan gelezen? Waar gaat het over? Welke ideeën heeft Wolkers over de wereld, de mensen, leven en dood? Waarmee heb ik mij als lezer vereenzelvigd, wat heb ik herkend, wat bleef mij vreemd? Wat heb ik voor informatie gekregen die ik nog niet bezat? En hoe staat het met de verbeeldingskracht? Als je onbekommerd doorleest, twee dagen lang, zal het met die verbeeldingskracht wel goed zitten, anders bleef je er niet aan. Maar de andere vragen die ik mij wil stellen bij elke lectuur? De recensies in de krantenDe tot nu toe verschenen kritieken op 'De Walgvogel' geven nauwelijks antwoord op deze vragen. Ik zal daar dus zelf een poging toe moeten ondernemen. Eerst iets over de ontvangst van het boek in de dagbladkritiek. Ik kreeg er negen te pakken: in volgorde van verschijnen Hans van Straten (Utrechts Nieuwsblad), I. Sitniakowsky (De Telegraaf), Rico Bulthuis (Haagse Courant), alle drie van 26 november, Harry Janssen (De Gelderlander), Adriaan van der Veen (NRC), Tom van Deel (Trouw), Henk Egbers (De Stem) en Max Nord (Het Parool), allemaal in de verschijningsweek gepubliceerd. Het Algemeen Dagblad dook, als wel vaker, onder het embargo door en plaatste al op 19 november de laaiend enthousiaste kritiek van J. Huisman. Met een genuanceerde kritiek van Van Straten, een sterk afwijzende van Sitniakowsky en een hoog waarderende van Bulthuis leverde al de eerste dag precies het beeld op dat we langzamerhand van verkiezingsavonden kennen: aan de uitslagen in Persingen en Leuth meet men het resultaat voor de hele natie. Als ik de negen kritieken vooral qua strekking goed gelezen heb, zou ik die van Huisman, Van Deel, Janssen en Bulthuis zonder voorbehoud positief willen noemen. Aan de afkeuring van Nord en Sitniakowsky valt niet te twijfelen. Egbers schrijft eigenlijk alleen maar nare dingen over het boek en vlecht daar dan een gekke opmerking doorheen: "als leesstof is dit boek (weer) boeiend" - ja, wat zou 'De Walgvogel' anders kunnen wezen dan leesstof? Een boek is niet om op te eten of om op de wc te hangen. Van Straten en Van der Veen zijn ambivalent in hun oordeel. Een score voor Wolkers van vier tegenover drie en twee blanco of, als je Van Straten en Van der Veen per se naar links of rechts wil dwingen, van vijf tegenover vier. Zeker dus niet het eclatante succes dat de vijfenzeventigduizend kopers de auteur beloven, maar ja, dat heb je altijd met critici, die rekenen het een schrijver aan dat hij goed verkoopt. Kijk maar naar De Hartog, wat die niet heeft te sappelen gehad met de critici... Gaat Wolkers dezelfde weg op? Van der Veen stelt zich die vraag: "Hij is in deze roman eigenlijk een Jan de Hartog van de bovenste plank, en ik wil met deze verwijzing naar de gevierde internationale auteur, Wolkers noch De Hartog beledigen. De Hartog blinkt uit door zijn jongensachtige bravoure. Die is er ook bij Wolkers, maar minder jongensachtig, eerder bitter." Wolkers schrijft op de schouders van Hermans en Van het Reve, oppert Van der Veen - en hij is de eerste niet -, zijn opvattingen zijn traditioneel, "traditioneel in die zin, dat hij progressief is wanneer daaraan geen gevaar meer is verbonden, bij het seksuele geen blad meer voor de mond neemt als niemand dat nog erg vindt, en meningen verkondigt over het Nederlandse verleden in Indië die al tot in den treure toe zijn beaamd, misschien zelfs door suikerplanters in die gewezen kolonie." Is dat nou billijk tegenover Wolkers? Ik vind van niet. Ik heb voor deze gelegenheid al zijn werk herlezen, vanaf 'Het Tillenbeest' en 'Kort Amerikaans' tot en met 'Werkkleding' en 'Groeten van Rottumerplaat' en heb de sterke overtuiging dat Wolkers volkomen zichzelf is gebleven. Wat hij in 1957 als zeer gewaagde lectuur aanbood is nu niet meer gedurfd, is gaan behoren tot de traditie, maar moet men dat hém aanrekenen? Er is toch geen sprake van dat een veel bescheidener verkopend auteur als Hermans of een destijds ook aanzienlijk matiger in de markt liggend volksschrijver als G.K. van het Reve (in 1964 met 't verschijnen van 'Op Weg Naar Het Einde' is dat veranderd) grótere invloed zou hebben uitgeoefend op het doorbreken van het taboe dat je over seks niet mag praten of het niet fijn mag vinden, dan Wolkers? Dat wil er bij mij niet in. Eeuwige jeugdPratend en nadenkend over het boek en over Wolkers' werk in het algemeen stoot ik wel op een bezwaar ten aanzien van Wolkers' ideeën dat vooral door dit dikke boek erg voelbaar wordt. Er zit namelijk in zijn verheerlijking van lichamelijkheid een accent dat door veel lezers als discriminatie ervaren kan worden. Wie niet over een grote mate van potentie beschikt, zoals Griffioen, de mannelijke ikfiguur, en zijn vriend Piet Ranzijn, is een "dooie lul", een nitwit die, net als de impotente echtgenoot van de gewezen en in Indië weer heroverde geliefde, niet beter verdient dan eerst horens opgezet te krijgen en vervolgens te worden afgemaakt. Alleen wat jong en sterk is, is mooi. Met uitzondering dan van de geestelijke vaderfiguur (hier respectievelijk oom Hendrik en een buurman, spartacus-communist). Wat niet meer mee kan, heeft nauwelijks Wolkers' aandacht. Wie fel leeft, sterft snel, aan vliegende kanker, of aan een schot in de buik. Ik begrijp wel hoe Wolkers daartoe komt. Hij houdt van plastiek en geeft daarbij al sinds jaar en dag de voorkeur aan felle contrasten. Dat houdt zijn werk jeugdig, maar eigenlijk qua denkwereld ook wat onrijp. Althans in de ogen van velen, ouder wordenden vooral. Terwijl Wolkers' lezersvolk van de eerste jaren de wereld meer in grijzen en kleurstellingen begint waar te nemen, eenvoudig omdat het tien, twintig jaar ouder is geworden, blijft de auteur dezelfde. Natuurlijk heeft hij een deel van het gelijk wanneer hij vaststelt dat er tussen dood en leven maar een fractie verschil in tijd is en hij zijn liefde voor het leven niet nadrukkelijker kan manifesteren dan door de dood als een dief in de nacht voor te stellen. Maar daarmee vervreemdt hij zich van een publiek dat de dichterbij sluipende dood dag in dag uit, jaar in jaar uit aan den lijve ondervindt. Voor dat publiek is er dus weinig reden tot vereenzelviging, voor het jonge volk des te meer. Hoewel, voor de vrouwelijke lezers is het onaanvaardbaar, dunkt mij, zich praktisch altijd afgebeeld te zien als het wulpse onnozele halsje, het malse atelierstukje dat, ook in gips gegoten, zijn aantrekkelijke vormen niet verliest. De meisjesfan, die in het autobiografische plakboek 'Werkkleding' werd getoond met haar hartstochtelijke leuze "Beeldhouwer Gods, ik sta naakt voor u", wordt in 'De Walgvogel' Lien, de Venus van de katholieke huishoudschool. Net als Olga in 'Turks fruit' is zij met duidelijk minder intellect begiftigd dan haar mannelijke tegenspeler, de ikfiguur. Ze moet het hebben van haar dommigheden, want die vertederen de man mateloos. Eigenlijk kan mij dat allemaal niet zoveel schelen, want Wolkers' humor en zijn stijl palmen mij onder de lectuur voortdurend in. Ook zijn robuuste liefde voor al wat groeit en bloeit en wat ons altijd weer boeit. Ik moet mij dwingen tot zulke min of meer moralistische opmerkingen, maar ik meen ze wel. Het is onaanvaardbaar dat de zwakken de zak krijgen. Ik denk ook dat Wolkers zich niet bewust is van dat effect in zijn verhalen. Het laatste waarvan hij verdacht wil wezen, moeten toch wel fascistoïde neigingen zijn. Bekende passagesGoed, allemaal inhoudelijke bezwaren. Maar waarom vind ik 'De Walgvogel' nu toch een van de betere boeken van 1974? Het is een avonturenroman, een jongensboek voor grote mensen (mánnen, fluister ik bedeesd), met een lekker ouderwetse held die alles kan en veel doet wat God verboden heeft. En daar ziet u nu precies mijn ambivalentie. Na zoveel antihelden in de literatuur mag dat wel weer eens, al mag het dus eigenlijk (zie boven) niet. Dat je erin trapt, komt omdat Wolkers zoveel verbeeldingskracht bezit. En dan bedoel ik niet in de aanhef van het boek, want daarin heeft hij alleen naar Multatuli gekeken. Wel in vele van de zesentachtig andere hoofdstukken waaruit 'De Walgvogel' bestaat. Ik moet daar meteen dit aan afdoen dat heel wat passages, zij het in andere vorm, voorkomen in eerder verschenen werk, maar het staat er dan toch altijd weer anders. Een voorbeeld. Het eerste verhaal uit 'Serpentina's petticoat', geschreven in de tijd dat petticoats nog begeerlijke artikelen voor jonge meisjes waren, heet 'Het Tillenbeest'. Daarin wordt een relatie gelegd tussen de gestorven, tijdens haar leven wellustige, zuster van de ikfiguur, en een sfinx met forse borsten, ook wel "tillen" genaamd. De ikfiguur heeft de sfinx uit een door de Duitsers verlaten en tot verval geraakt kasteel gesloopt en laat ons weten dat hij bovendien het pendant van deze sfinx gepoogd heeft mee te krijgen, later, maar dat dit niet gelukt is om de volgende reden. Hij is het beeld gaan halen, samen met "een bleke donkere jongen, aan wie het lezen van de poëzie van Piet Paaltjens niet was voorbijgegaan zonder sporen in zijn gelaatstrekken achter te laten." Ze nemen behalve de tweede sfinx ook een grote ovalen spiegel mee, maar omdat deze zo zwaar is, kiepert de ikfiguur de sfinx zolang in een kuil. "In de krater die het tillenbeest in de stinkende bruine massa had geslagen zag ik het half verteerde gelaat van mijn zuster, zwart als de geprepareerde huid van een indianenhoofd. Even maar. Toen stroomde de logge massa terug." Het verhaal met de attributen is duidelijk toegeschreven naar dit moment. In 'De Walgvogel' komen ze terug, zoals ook de Spin en de tors uit 'Kort Amerikaans' en de oom die de weg naar een andere niet-calvinistische wereld wijst (diverse verhalen, 'Terug naar Oegstgeest') een nieuwe en grote plaats krijgen. Maar zusters spelen in deze roman geen rol van betekenis. Hetzelfde attribuut van de sfinx blijft wel zijn erotische betekenis houden, maar niet om al of niet in verbeelding wraak te nemen op de zuster of om haar te gedenken (die dubbele functie in 'Het Tillenbeest' is niet helemaal duidelijk). Nu wordt het beest een liefdestrofee, die door de beide gelieven tijdens een nachtwandeling wordt opgegraven, nadat het eerder op min of meer identieke wijze als in 'Het Tillenbeest', maar zonder de omstandigheden en de symboliek, in de derrie is gesmeten. Trouwens, aan 'Het Tillenbeest', om mij daartoe te beperken, ontleent 'De Walgvogel' ook nog de ovalen spiegel (die intensiveert het genot, want voyeurisme is de ikfiguur niet vreemd) en de initialen van Griffioens beste vriend, Piet Ranzijn. In een versleten regenjas van zijn zuster, die in het verlaten kasteel hangt, vinden de jongens een briefje: "Denk aan P. R. hij is gevaarlijk, stond erop. Dat het mijn initialen waren heb ik altijd als louter toeval beschouwd." De Piet Paaltjens is weer heel iemand anders dan die vriend in 'De Walgvogel'. Vergelijking van alles wat Wolkers tot nu toe schreef zal veel materiaal aandragen, daar ben ik zeker van, voor de stelling dat 'De Walgvogel' een compilatiewerk is, dat toch aan eigen innerlijke wetten horig is en niet zomaar een overschrijfsel genoemd mag worden. Oorlog en liefde in IndiëDe achtergrond van de roman is bepalend voor het uiteenvallen van 'De Walgvogel' in twee delen. Het eerste bestrijkt de periode uit het leven van de schilder wordende Griffioen, vanaf de crisisjaren, het begin van Hitler, de komst van de Duitsers, het voortijdig verlaten van de school door Griffioen, zijn schildersaspiraties, zijn liefde voor Lien en de impulsen die deze voor zijn werk meebrengt, haar plotseling vertrek (weggehaald door haar boze vader, tweede bedrijf pas jaren later in Indië) en de zwarte periode die dit voor de schilder veroorzaakt, ten slotte de hongerwinter en de bevrijding. Een bezoek aan het Louvre in Parijs rijt de oude, bijna gesloten wond weer open: de Venus van Milo, nu niet meer in vlees (Lien) of kalk (torso), maar in marmer. Reden te meer om oorlogsvrijwilliger te worden. Even tussendoor: "Ik ben zo bruin dat ze me de Apollo van de Côte d'Azur noemden en de meisjes me als hondjes achternaliepen. Maar iedere keer als ik met het zand nog aan mijn lichaam gekleefd en mijn huid nog zout en wit uitgeslagen van de zee op zo'n meisjeskamer verzeild raakte en we vrijend de beddensprei in de war hadden gewoeld en het bijna gebeurde in het geluid van de koffergrammofoon met 'Margie' of 'Hold Tight' van de Andrew Sisters, zag ik ineens Lien voor me met haar lange zwarte haren en lieve gezicht en alles... Nee, het schilderen kon ik afzweren, de kunst verloochenen, maar Lien kon ik niet vergeten" (p. 198). Daar valt dan ook zo ongeveer de cesuur, na drieënveertig van de zevenentachtig stukjes, op de helft dus. Het Parijse intermezzo wordt aan een Nijmeegs voorspel op de Indische tijd gekoppeld, en daarmee begint Wolkers te schrijven aan heel veel wat hij van horen en zeggen moet hebben, want hij is nooit in dienst geweest en vervolgens kent hij Indië pas sinds hij enkele jaren geleden in Indonesië is geweest. Dus hij kent Indië niet. Behalve uit documentatie. En dan moet ik toch zeggen dat ik zijn verbeeldingskracht zeer bewonder, want het tweede deel is eerder beter dan slechter. Het al of niet autobiografisch zijn van de gegevens blijkt niet echt relevant. Wel belangrijk is dat de jongensachtige heldenverhalen over de reis naar Indië aan boord van het troepenschip Zuiderkruis, het verblijf van Griffioen en de anderen op Java, zijn liefde voor Inti, de inlandse vrouw (wat zou hij hiervoor geleerd hebben van Willem Walraven?), als een vreedzaam intermezzo, authentiek aandoen. Meer authentiek dan het plotseling op het Nijmeegse kazerneplein en naderhand in een bioscoopzaal op Java verschijnen van Lien, nu getrouwd met een vaandrig die haar niets te bieden heeft. MaatschappijkritiekHet zwakke punt van de roman zit toch weer waar het ook bij 'Turks fruit' zat: in Wolkers' dosering van het melodrama. Die dosering is zo knap op het grote volk gericht dat een nieuwe bestseller hem pertinent ten deel valt, maar is zij echt goed? Piefpafpoef als in de drakerigste opera: eerst Piet Ranzijn, de vriend dood, omdat hij zo'n patjakker niet recht voor zijn raap schiet maar eerst een buikschot waagt; dan Lien doodgeschoten door de jaloerse echtgenoot; ten slotte de moordenaar vermoord door de koelbloedige held van het verhaal. Maar de dood van Piet Ranzijn is verhaaltechnisch een van de hoogtepunten van het verhaal, en afgezien van bovengenoemde passage is 'De Walgvogel' toch een knap geschreven roman, met een aantal schitterende hoofdstukken, zoals het jeugddeel (p. 11-102), 'Een tors met bloed', 'Een aanslag op de mensheid', de hongerwinter, de Nijmeegse periode en heel wat bladzijden Indië. Wie de roman leest als een veelomvattend tijdsbeeld, komt eraan te kort. Alles in het boek is geschreven vanuit de figuren die samen deze love story beleven: Griffioen en Lien. 'De Walgvogel' als titel wordt zo beperkt tot de afkeer die de hoofdfiguur heeft van een aantal zaken. Waarschijnlijk heeft Wolkers op meer gemikt. Want de dodo of walgvogel is de eilandvogel zonder vliegvleugels die door Nederlandse Indiëvaarders werd doodgeknuppeld. En de Multatuliaanse proloog roept de wraak af over de mannen van Colijn. Nu, die maatschappijkritiek kan Wolkers niet voldoende aan. Inderdaad, iets nieuws over ons optreden in Indië, of over de houding van de Nederlanders in oorlogstijd lezen we niet. Op het stuk van informatie schiet het toch tekort, hoewel, een generatie die onze geschiedenis niet kent, mag voor wat de Indische jaren betreft zich best eens inlezen via deze Wolkers. Het serieuze vorsen komt daarna wel. Vanzelf. |
|
Deze recensie is met toestemming van Wam de Moor overgenomen uit zijn verzamelbundel 'Wilt u mij maar volgen?' (1980). De oorspronkelijke versie verscheen op 20 december 1974 in De Tijd.
Meulenhoff, Amsterdam 1974, ISBN 90-290-0399-5 Meer informatie op deze website:
|
|
|
|
Chroom Digitaal: online vraagbaak voor religieuze en christelijke literatuur |