Weblog | Proza | Poëzie | Columns | Audio | Zoeken

 

Nog steeds niet gestenigd

Interview met Jaap Zijlstra

Chroom Digitaal Proza, maart 2000

door Ronald Westerbeek

Jaap Zijlstra (1933) groeide op in een eenvoudig timmermansgezin in het elitaire Wassenaar. Import, want zijn ouders waren "emigranten" uit Friesland. Hij was zeven toen de oorlog uitbrak en herinnert zich scherp de verschrikking van de meidagen, maar vooral ook van de hongerwinter. "Als je een puistje openkrabde, had je wekenlang een wondje." Zijn vader wist hem 's nachts op een vrachtwagen naar Friesland te krijgen en de rest van de oorlog bracht hij door bij zijn pake en beppe. Na de bevrijding bleek hij tbc te hebben en moest hij kuren. "En dat in een tijd waarin alles weer op gang kwam. Dan ben je twaalf jaar, een levenslustige leeftijd, en dan moet je acht maanden in bed liggen! Mijn broers kwamen thuis vol verhalen van de motorraces, maar ik lag in bed. Wat sta je er dan buiten!"

foto jaap zijlstra

Toen hij eindelijk weer naar school kon, dachten ze dat hij dom was, want hij was het rekenen verleerd. Het was aan meester Kalsbeek – meester Klarenbeek in de novelle – te danken dat hij toch nog naar de mulo mocht. Maar lezen kon hij, want in bed had hij boeken verslonden. En opstellen maken, dat kon hij ook. "De meester zei tegen me: 'Jij wordt auteur', maar dat woord kende ik helemaal niet, dus ik zei tegen mijn moeder: 'Volgens de meester word ik later automonteur'." Zo kunstzinnig als Tjerk en zijn boezemvriend Marten in de novelle zijn, zo was Jaap ook. "Meester Kalsbeek leerde ons liederen van Guido Gezelle. Prachtig was dat! Het gevoel dat je zoiets met taal kunt doen. En dat hij zijn eigen piano meenam naar school, dat is allemaal echt gebeurd. Het gedicht dat Marten in de novelle maakt, schreef ik toen zelf."

Als hij uit school kwam, maakte hij een omweg om langs de kunsthandel te komen. Hij durfde niet naar binnen, maar drukte zijn neus tegen de ruit om schilderijen te kijken. Thuis begrepen ze er niets van dat hij boeken uit de bibliotheek haalde over Rembrandt, Rubens, Vermeer en Gerard Dou. En nog minder dat hij helemaal naar Den Haag fietste om het Mauritshuis te bezoeken, en naar de Lakenhal in Leiden. Er was één schoolvriendje dat het begreep. "Er kwam een jongen in Wassenaar wonen, hij heette Frans. Hij kwam uit Indië, en hij was zo'n mooie jongen, hij kon zo mooi vertellen en zo mooi voordragen en hij was bovendien nog heel goed in sport. Later zijn we elkaar uit het oog verloren. Hij ging naar het gymnasium, maar dat was voor jongetjes uit ons milieu niet weggelegd."

Op de mulo las een leraar Nederlands voor uit het werk van de Tachtigers. "Andere veertienjarigen vonden daar natuurlijk niks aan, maar ik ging bundels halen uit de bibliotheek en ontdekte op eigen kracht Marsman en Achterberg. Als ik 's avonds door de duinen fietste, had ik allemaal dichtregels in mijn hoofd. Ik ging zelf ook schrijven, schriften vol, helemaal à la Marsman natuurlijk. Maar niemand heeft me daarin verder geholpen. Ik had ook geen vrienden die het begrepen."

Verliefd

"Op de mulo merkte ik dat ik jongens mooi vond. Ik vond het eerst niet eens zo gek. Want op die leeftijd hebben jongens die onderlinge belangstelling; ze ontwaren dat er een lichamelijke ontwikkeling gaande is en kijken naar elkaar. Later gingen die jongens het over meisjes hebben en daarnaar kijken. Eerst denk je: dat komt bij mij dan zeker nog wel. Maar het kwam niet. Het grappige is dat die jongens zich geen houding wisten te geven tegenover meisjes, maar ik ging heel makkelijk met hen om. Dus ik kreeg allerlei meisjes die op mij verliefd werden en met wie ik dan ook wel wandelde. Dat was een hele wonderlijke tijd eigenlijk. Maar ik kon er met niemand over praten. En mijn verliefdheden op jongens werden alleen maar heftiger."

"Toen ik zeventien was, zei mijn moeder: 'Je bent nu op een leeftijd dat je behoort te weten hoe het toegaat tussen man en vrouw.' Ze gaf me dat boekje, 'Jongens vragen', precies zoals ik het in de novelle beschrijf. Tot mijn ontsteltenis kwam ik het hoofdstuk tegen waar het letterlijk zo staat, dat je moet oppassen als bijvoorbeeld een hopman aardig tegen je doet, want die man kan homoseksueel zijn. Het was de eerste keer dat ik dat woord las. En toen herkende ik het. Ik dacht: dat ben ik! Zo zit ik dus in elkaar, ik ben iemand om voor op te passen, om bang voor te zijn. Vanaf dat moment nam ik me voor om erover te zwijgen."

"Ik kwam teksten in de Bijbel tegen, dat ik dacht: tja, zo heeft God ons dus niet gemaakt, het is man en vrouw, en wat ík graag zou willen kan en mag dus niet. Toen ik na de mulo op kantoor ging werken, werd ik lid van een atletiekclub. In de kleedkamers gaat het daar vrijmoedig aan toe. Dat schokte mij! Ze liepen natuurlijk rustig in hun nakie naar de douche enzo. Ik dacht: je moet niet laten merken dat je dat mooi vindt, want dat kan niet. Maar voor mezelf bleef ik het toch mooi vinden en waren het hele warme gevoelens. Ik vond het heel fijn om met bepaalde jongens om te gaan en ik genoot van hun lach."

"De militaire dienst is een hel voor me geweest, maar ik wist het zo goed verborgen te houden, dat ze me "de lachende rekruut" noemden. Ik zat op een zaal met twintig jongemannen en moest ontzettend oppassen dat ze niet in de gaten kregen hoe ik in elkaar zat, want dan was het mis. Ik hoorde hoe ze over homo's praatten, nou, duidelijker kon het niet. Mijn tweede dichtbundel, 'Onder mijn groene huid', gaat over die tijd. Het is een grimmige, ontredderde en eenzame bundel."

Predikant

Naast zijn werk als administrateur op een scholengemeenschap, werd Zijlstra actief in het kerkelijke jongerenwerk. Daar lag zijn hart en het ging hem goed af. De jeugdclubs kwamen weer tot bloei en hij werd geprezen om zijn vermogen jongeren bij de kerk te betrekken. "Wat ik aanraakte werd goud. Terwijl ik inwendig een geheim meedroeg, en een stuk eenzaamheid. Toen een nieuwe dominee me bezig zag in het jeugdwerk, zei hij dat ik predikant moest worden. Daar had ik nooit aan durven denken, want ik dacht: dat is niet weggelegd voor iemand die zo is als ik. Maar toen begon ik te denken: als ik er de gave voor heb, moet ik het toch doen. Ik was inmiddels dertig en had mijn geaardheid nog steeds verborgen weten te houden. Ik dacht: als je je geaardheid toch onder de knie hebt, gaat het verder toch niemand wat aan dat je zo bent, dus doe het maar. Maar als ik het verteld had aan de predikanten die mij opleidden, was ik nooit dominee geworden."

"Ik heb altijd alleen op de pastorieën gewoond. Natuurlijk had ik graag met een vriend willen samenwonen, maar dat kon nu eenmaal niet in een pastorie. Ik ben graag alleen, en het bood me enorme vrijheid om te schrijven en te dichten. Maar als ik verliefd werd, had ik verdriet. Mijn liefde kon nooit worden beantwoord en dat deed zeer. Die pijn was er wel, maar tegelijk tijd voelde ik: ik moet dit verborgen houden, dit kan gewoon niet. Als je jezelf op je zeventiende hebt ingeprent: hier moet ik over zwijgen, wordt het een tweede natuur."

"Maar je krijgt dat gemeenteleden zeggen: 'Nou dominee, zou u niet trouwen?' Je voelt je onwaarachtig als je er dan omheen draait en dingen zegt als: 'Tja, je kan niet trouwen met de keukenstoel, je moet iemand tegenkomen van wie je houdt'. Dat merkte ik vooral toen ik in 1971 als evangelisatiepredikant naar Delfzijl ging. Daar kreeg ik te maken met mensen die homoseksueel waren. Dan is het zo moeilijk om zelf te zwijgen over je geaardheid. Maar het moest. Ik had een koffiebar voor jonge mensen, die bij me kwamen met hun persoonlijke problemen. Dan ben je zo kwetsbaar, je bent voortdurend in de pers. Als je er in die situatie over gaat praten dat je zelf homo bent... Ik zou gestenigd zijn! Mijn omgang met al die jonge mensen zou meteen verdacht zijn gemaakt."

"In de gereformeerde kerken werden inmiddels wel discussies over homofilie gevoerd. 'We moeten er toch voor open staan,' zeiden sommigen. Maar homoseksuelen moesten dan wel een leven van onthouding leiden, want het bleef een ernstige zonde. Voor mezelf ontdekte ik langzamerhand dat het toch anders lag. Het kan toch niet zondig zijn dat je van een medemens houdt, dat je hem mooi vindt en dat je hem wilt strelen? Als ik een partner had gevonden, had ik niet geaarzeld. Dan was ik, ook toen in Delfzijl al, met hem gaan samenwonen."

quot;Ik had toen wel een vriend, maar hij was hetero. Ik was 40, hij 17. Met hem bezocht ik tentoonstellingen en concerten. Hij is voor mij de Marten-figuur uit de novelle. Ik hield zielsveel van hem. Ik heb hem later getrouwd en ik kom er nog altijd. Ze hebben kindertjes en voor hen ben ik oom Jaap, maar... vijftien jaar ben ik verliefd op hem geweest, echt stapel. En nog als ik bij hem kom, denk ik: goh, wat hou ik nog veel van je. Hij was echt mijn grote liefde. Ja, dat doet zeer. Aanvankelijk dacht ik dat hij net zo in elkaar zat als ik. Op een gegeven moment heb ik tegen hem gezegd dat ik van hem hield. Daar schrok hij van. 'Ik ken je al twee jaar en ik heb nooit gemerkt dat je homo bent,' zei hij. Ik zei: 'Nee, maar het kan niet in mijn werk. Maar nu had ik de indruk dat jij misschien ook wel zo bent. Omdat je zo kunstzinnig bent en omdat je zo aan me gehecht bent'. Maar nee. Toen zei ik dat we onze vriendschap maar moesten beëindigen, want als zijn ouders zouden horen dat ik zo was, zouden ze er erg op tegen zijn. Maar hij zei: 'We hoeven het toch niet te vertellen? Het kan toch blijven zoals het geweest is?' En zo is het gebleven. Dat was soms verdrietig voor mij, maar ik kon het gelukkig opbrengen."

Coming out

"Pas in 1983 ben ik ermee voor de dag gekomen. Moet je je voorstellen, dat je tot je vijftigste zwijgt over je geaardheid... Om te beginnen vertelde ik het aan mijn broers. Ze waren stomverbaasd, hadden altijd gedacht dat ik een soort Paulus was, die helemaal voor zijn roeping ging. Maar ze accepteerden het gelukkig helemaal. Wat een bevrijding was dat! Vervolgens ben ik het in de kennissenkring in Vorden gaan vertellen, waar ik inmiddels predikant was."

"In mei van datzelfde jaar preekte ik in Ermelo. Het was volop voorjaar, dus ik had besloten te preken over het Hooglied. Het was pinkstervakantie en er waren mensen uit alle delen van het land en het was bomvol in de kerk. Dus ik hield een heel enthousiaste preek en ineens dacht ik: dit is niet eerlijk. Je legt uit hoe dat er staat in het Hooglied, dat God ons zo gemaakt heeft, mensen met seksualiteit, en dat we daarvan mogen genieten. Nu kan je wel 'amen' zeggen, maar er zitten hier ook mensen in de kerk die alleen zijn gebleven. Pijnlijk dan, zo'n preek. Wie weet hoeveel mensen er gescheiden zijn. En er zitten natuurlijk ook homofiele mensen. Dus ineens, voor de vuist weg, zei ik precies dát. En toen zei ik zomaar: 'Ik weet waarover ik praat, want ik ben zelf ook zo.' Het werd doodstil, maar je moet dan toch doorgaan. Na de dienst was ik nerveus over wat de kerkenraad zou zeggen. De ouderlingen kwamen naar me toe en zeiden: 'Dominee, wat zijn we blij met deze preek!' Een ouderling zei: 'Zolang ik hier woon, is het woord 'homoseksueel' nog nooit genoemd vanaf de kansel'. Ik vroeg: 'Ook niet in een gebed?' 'Nee,' zei hij, 'nooit'. Het was in Ermelo nog volkomen taboe, in 1983. 'Dit heeft het in één keer in Ermelo opengebroken,' zeiden ze, 'nu moet er over gepraat worden.' Het was voor mij een enorme bemoediging, dat het zo positief ontvangen werd."

"Het waaide natuurlijk over van Ermelo naar Vorden, enzovoort. Zoiets gaat snel door kerkelijk Nederland. Dat heb ik geweten, want die komende maanden kreeg ik toch een pastoraat, zeg. Ongelooflijk. Dominees die zelf geen raad wisten met hun homoseksuele gemeenteleden, verwezen hen door naar mij. Ik kreeg ook talloze anonieme brieven en telefoontjes. Er is daar bij mij in die pastorie in Vorden gepraat en gehuild... Toen dacht ik: je mag wel landelijk homopastor worden, want wat is hier een nood!"

"Na die 'coming out' in Ermelo is er in 1991 mijn literaire 'coming out' geweest, met de bundel 'Ik zie je zo graag'. In 1989 wilde de directie van Kok die niet uitgeven. 'Ze vinden dat je je naam als christelijk schrijver ermee verknoeit,' zei de redacteur. Daar schrok ik toen ontzettend van. Wordt het dan opeens niet meer geaccepteerd als ik het zwart op wit zet? Ik heb er vervolgens nog twee jaar mee gewacht, maar het toen alsnog bij een andere uitgeverij (De Prom, red.) uitgegeven."

"Ik veronderstelde dat het landelijk wel bekend was. Ik had er immers over gepreekt en gepraat. Maar het sloeg enorm in en de pers overspoelde me. Ik kreeg een heleboel waarderende brieven, maar ook brieven waar de honden geen brood van lusten, zo gemeen. Maar ik heb ze allemaal beantwoord. Het is nachtwerk geweest, een half jaar lang. Op een na hebben alle mensen die zo'n rotbrief hadden geschreven, mij weer teruggeschreven en excuses aangeboden. Toen dacht ik: kijk, het is toch de moeite waard om in gesprek te gaan, om het uit te leggen."

Homopastoraat

"Ze hebben hier in Amsterdam de moed gehad om me in 1985 te beroepen als evangelisatiepredikant voor de binnenstad, terwijl ze wisten hoe ik in elkaar zat. Dit hield ook in dat er een homopastoraat kwam. Dat gebeurde vanuit de oecumenische stichting 'Diensten Met Belangstellenden', waarin niet alleen gereformeerden meededen, maar ook christelijk-gereformeerden, vrijgemaakten, baptisten en katholieke zusters."

"Tegenwoordig gaat men ervan uit dat zo'n 7 à 8 procent van de mensen homoseksueel is. In kerkelijke kring begint men zich nu te realiseren dat je deze gemeenteleden kwijtraakt. En die geheimzinnige zelfmoorden waarvan men de reden niet kent, nou, die zijn mij wel duidelijk. Ik heb het gemerkt in mijn werk. Veel mensen uit de zwaardere kringen vluchten naar Amsterdam. Die hebben de kerk de rug toegekeerd, maar hebben daar soms toch geen vrede mee en komen naar ons evangelisatiewerk. Soms ben ik naar ouders gegaan om te praten."

" Het is toch ongelooflijk dat zo'n vader tegen zijn zoon zegt: 'Je komt het erf niet op met die vriend van je, want ik breek je de benen!' Er kwam eens een man bij me, die zei: 'Dominee, nu heb er toch zo veel verdriet van: onze oudste jongen is homo. Nu heeft hij een vríend en daar wil hij mee thuis komen, en hij wil zondag nota bene met ons naar de kerk! Maar dat kan toch niet, dat is tegen de Bijbel!' Ik zei: 'Om te beginnen zou ik maar blij zijn dat hij met die jongen thuis wil komen. En dat hij dan ook nog naar de kerk wil! Je zou blij moeten zijn!' 'Ja maar, er staat toch in de Bijbel...' En dan komen ze meteen met Sodom en Gomorra. 'Wacht even,' zei ik. 'Daar gaat het over hele andere dingen. Dat waren hetero's, die seksueel zó doorsloegen... En als je kijkt wat voor perverse uitspattingen er waren in de tijd van Paulus, nou, dat was me een rotzooi. Dáár fulmineert Paulus tegen. Maar nergens gaat het in de Bijbel over twee mensen van hetzelfde geslacht die een oprechte liefde voor elkaar hebben.'"

"Op een gegeven moment komt dan de eerste aids-patiënt op je pad, die vraagt of je hem wilt begeleiden. Bij zo'n begrafenis zijn 300 mensen aanwezig, waaronder natuurlijk veel homo's en ook aids-patiënten. Die dan naar je toekomen om te vragen of je hen ook wilt begeleiden. Dat waren soms jongelui van buiten de kerk, die onder de indruk waren geraakt van de dienst. Je kunt mensen flink afschrikken van het evangelie, maar je kunt er ook de warmte van laten zien. Nouja, dat pastoraat werd heel intensief, heel zwaar ook. Vooral die laatste fase, dan moet je dag en nacht voor ze beschikbaar zijn. Dan word je midden in de nacht gebeld of je naar het ziekenhuis wilt komen. Ik heb er verschillende zo zien sterven, en ja, dat was heel aangrijpend.

Toch heb ik ook altijd genoten van het werk hier. Elke keer als ik er preek zijn er weer nieuwe gezichten, mensen van buiten de kerk. Het is zo geweldig om die zegen op je werk te mogen zien. Terwijl je overal hoort van kerkverlating en kerken voor onze neus worden afgebroken, dat je dan ziet dat mensen tot geloof komen en dat zij je beste medewerkers worden! Dat je als de apostelen aan het front mag werken! Dan denk je: wie ben ik in deze goddeloze stad dat ik dit werk mag doen?"


Eerder gepubliceerd in CV/Koers, maart 2000

jaap zijlstra: de glazen schelp

Kok, Kampen 2000, ISBN 90-435-0191-3


Meer informatie op deze website:

Externe links:

Overige bronnen:

  • artikel door H.P. Medema in Bijbel & Wetenschap mei 2000
  • recensie door G.J. Butselaar in CW 21 april 2000
  • recensie door H.H.J. van As in Confessioneel 30 maart 2000
  • recensie door Tjerk de Reus in CV/Koers maart 2000
  • artikel door H.P. Medema in ND 23 maart 2000
  • dagboek door Rien van den Berg in ND 17 maart 2000
  • interview door Berber Bijma in FD 15 maart 2000
  • recensie door Douwe de Vries in FD 15 maart 2000
  • interview door Arie Verhoef in Visie

CW = Centraal Weekblad
FD = Friesch Dagblad
ND = Nederlands Dagblad
RD = Reformatorisch Dagblad


Terug naar boven

 

 

 

Chroom Digitaal: online vraagbaak voor religieuze en christelijke literatuur